Ik wilde naar huis met mijn oudste zoon. We liepen tussen flatgebouwen die wijd uit elkaar stonden. Grijze, vierkante blokkendozen. Vrij nieuw. Tussen de flats waren parken aangelegd waar een soort kleine stadskrokodillen leefden. De krokodillen waren grijsgroen en hadden een kameleonachtige kam op de rug. Je moest goed uitkijken dat je niet door ze gebeten werd. Als Schotse Hooglanders kuierden ze vrijelijk over de publieke gazons. Er kropen ook onschuldige reptielen rond, die kwamen binnenshuis, zoals vliegen in de zomer, motten in de kledingkast.
Voordat we naar huis konden, moesten we onze hond naar de overkant brengen van een water. Dat water had niets weg van de kunstmatig aangelegde parkvijvers. Het was een breed meer, omringd door groen en hoogstaand riet. De witte hond die al een jaar dood was, kwam weer tot leven. Ze maakte geen wezenlijk contact met ons. Ik droeg haar onder een arm. Mijn zoon en ik stapten ieder in een eigen papyrusbootje. Ik voer op het ene bootje met de kleine hond stevig tegen mijn zij geklemd. Mijn zoon voer achter mij in het andere bootje. Maar de bootjes zonken in een rechte lijn naar beneden. Het hondje zakte traag naar de bodem. Ik dook haar op en zette haar halverwege het meer op een klein eilandje tussen het struikgewas. We moesten haar daar achterlaten. Mijn zoon en ik zwommen naar de kant en liepen door de moderne buitenwijk terug naar huis. In de slaapkamer zat een enorme kameleon in de vensterbank. Mijn zoon zei dat die ons geen kwaad kon doen.











Recente reacties