
De halspiegel hing op schouderhoogte. Ze keek naar haar gezicht. Altijd alleen maar naar haar gezicht. Naar de grote ogen en volle mond die zelden lachte. Anders viel je op. Diep haalde Swaen adem. Gans noemden de jongens haar. De jongens, hoe lang was dat al niet geleden? Nog kon ze de piepende remmen van hun fietsen horen die haar klem zetten in een achterafje om de duivel aan te doen. Vanachter de hoge heg zag ze de vlaggetjes al komen. Wat had ze die bananenzadels met die puntige vlaggetjes hoog boven de bagagedragers uit gehaat. Dat stelletje wilden op stalen rossen met bloed in de ogen dood gewenst.
Met haar hoofd was niets mis. Misschien een kin teveel.
‘Je hebt een mooi gezicht, als je nu eens wat…’
Wat een schrale troost. Swaen kuste haar spiegelbeeld vaarwel alvorens de haakjes van haar karbonadecorselet te openen. Het gaf ademruimte. Ze scheurde de vlezen patchwork pofmouwen in stukken. Aan een pees lubberden de onderarmen als twee zojuist geslachte hennen langs de ellebogen naar beneden. Van de hoedenplank graaide Swaen een dun geschakeld bandje weg en haalde haar polsen net zo lang door de draaibank totdat het smalle armbandje paste. Inmiddels maakte haar middel een mooie curve naar binnen toe. Ze trok de kale kippetjes tot aan de schouders op, sneed ze van de pezen en legde een zwanenhals bloot. Als afsluiter ritste ze de benen open en stroopte die in zacht rubber naar de enkels toe om uit te kunnen stappen, het overtollig vet bij de paraplu’s en armkwabben in de doofpot stoppend. Haar sloffen maakten plaats voor elegante schoentjes. Ze was klaar om uit te gaan.
De doofpot trilde na. Verzwaard met dertig kilo bil. Vijftien de stuk. Toen ze nog had durven kijken, in een handspiegeltje achterstevoren voor een passpiegel, had ze nooit haar rug gezien. Niet het rossige, golvende haar tot over de schouderbladen, de naar verhouding goed gevormde kuiten. Ze bestond alleen uit bil en been. In die tijd was ze honderddertig schoon aan de haak. Nu moest het meer zijn. Maar zodra ze de deur achter zich dicht trok, woog ze eenenzestig kilo. Waren haar benen oneindig lang. Liep er met gesloten knieën een kiertje licht tussen de dijen door. Droeg ze een m in zijden ondergoed. Dacht men dat ze aan ballet deed zo sierlijk als zij zich over straat bewoog. Gehuld in een cirkel van tule fabuleerde Swaen een pas de deux met haar schaduwbeeld. De passen op de bal van haar voet raakten nauwelijks de grond. Zonder stekende blikken at ze een sorbet op een overvol terras en staarde naar vrouwen in allerlei soorten en maten.
Buiten keek ze naar billen. Rond, plat, groot, klein, stevig en slap maar vooral naar dik. Dikke vrouwen die zich bevrijd voelden in strakke spijkerbroeken, stevig ingesnoerd met lederen Strass riemen waardoor buiken over ruggen doorliepen en zich rijkelijk boven het denim uit plooiden. Die ze bewonderde maar tegelijkertijd verafschuwde. Net zoals de ranke meisjes met een kuil in hun buik. Die wezen op een rib en verzuchtte niets te kunnen eten. De gesprekken die ze opving over het uitwisselen van lichaamsgewicht. Niets was intiemer dan de cijfers van het menselijk vlees. Zeker als het er drie achter elkaar waren. Swaen wilde dat ze haar dwars door alle lagen heen zouden zien. Waarom beauty beinvloeden door de botte cijfers van een personenweegschaal? Vandaag was ze beeldschoon. Liep in bikini als Miss Sweden hooggehakt door de winkelstraat.
‘Hey, vetlap, kijk eens uit waar je loopt!’
In een fractie van een seconde botste Swaen er negenenzestig kilo bij en keerde met gebogen hoofd op verzwaarde holsblokken huiswaarts.
Recente reacties