De kapok van Java doet me bovenop het bed van Rat in een kippenhok belanden. Ik vul zijn kussen bij. Als donsveer stuift en dwarrelt het zaadpluis door de kamer. Met zijn gekakel in mijn hoofd verwacht mijn hand ieder moment verse eieren onder de oude speelgoedhond te vinden. Een zoektocht naar synthetische vlokken had me naar de vliering gebracht alwaar ik op een papieren zak met kapok was gestuit.
Ik roep al weken dat ik de vliering wil uitmesten en begin nu maar gewoon. Door het babypakje met de circusmuts zit ik weer doodziek op de fiets, hoe zwaar de trappers, het ronddraaien, mijn blik op oneindig -op-iets-gewoons-op-iets-van-jonge-moeders; een kruippakje kopen voor een kind. Een helse onderneming. Het was in de tijd dat mijn voeten steeds onder mij vandaan leken te glijden. Ik mis de baby maar mezelf niet. Mijn God wat was ik oud.
De oude filmcamera. In zwart/wit dribbel ik naar de waterpomp in Dwingeloo, om mijn bolle peuterbuik onder een zielig straaltje water te houden. Het opwindbare baby-popje. Oud servies. De roze theepot van een vriendin. We hielden theepartijtjes zonder onze moeders.
Rat komt bij me zitten. Hij past een babymuts en zegt dat hij de gebreide bedsokjes van zijn inmiddels overleden omi wil bewaren voor zijn eigen kinderen. Zo bovenin de nok kom ik overal. Het verleden loopt over in de toekomst.


Recente reacties