Archief voor januari 2008
Elf. Mijn witte nachtjapon was te dun voor de koude wind. Ik zat op mijn hurken in een Hongaars landschap en keek uit over een meer. Aan de overkant stond een houten schip in de steigers. Een drakkar met het paard van Troje op de stevens. Het begon te schemeren. De witgekalkte huizen strak uitgetekend in krijt langs het water werden grijs. Ineens kapseisde het schip en viel op de druk bevolkte kade, nam mensen en kleine woonboten mee in de val. Als mieren kroop men onder het puin vandaan. Maar ik had gezien hoeveel er bedolven werden. Dood moesten zijn. Toen begonnen Duitse soldaten in uniform op alles en iedereen dat nog bewoog te schieten. Ik rende de heuvel op en kwam in een dorp met nauwe straatjes. Een getto vol schimmen. Ineens trok iemand mij de hoek om. Het was oma. ‘We moeten ons verstoppen,’ zei ze. Ik zocht mijn vader maar alleen oma was daar. Al de donkere hoeken en gaten waren opgevuld met mensen die zich schuil hielden. Ik keek oma vragend aan. Zij pakte mijn hand en samen vlogen we in een rechte lijn omhoog en bleven als een witte energieveeg boven de huizen hangen. Bij het eerste licht liet ze mijn hand los en zei dat ik terug moest gaan. Oma bleef waar ze was.
Vandaag belde ik met mijn moeder. Over hoe het met oma ging.
Fragment uit Het Wachthuis:
Een blok huizen uit de jaren dertig. Met daarvoor een diepe tuin, brede stoep, klinkerweg en strook gras, door de singel gescheiden van de gespiegelde overkant. En dan is het dat ene huis, ter afsluiting, dat eruit springt vanwege het hoge dak en de uitbouw. Een roze loper van bloesem onder mijn voeten. De Japanse sierkers laat zijn rokjes los. Vroeger raapte ik de mooiste op. Die net was gevallen en nog geen bruine rand bezat. Om zo al nagelspitzend het geurende tutuutje rond mijn vingers te laten dansen. Maar ongeacht het jaargetijde haalt het huis je binnen. Ik ben er geboren, woonde er met mijn ouders en al de wisselende pleegkinderen. Waarom hebben we het gekocht? Het is te groot. Veel te groot.
Je kunt het aan de ogen zien. Simplisten hebben een soort van leegte in hun lepe blik.
Vandaag zag ik twee van dat helaas-niet-uitstervende type. Ik vroeg mij af waarom ze op tv kwamen om hun niet-kunnen te etaleren. Trots leurden ze met de zeer poëtische liedtekst: Kom konijntje wiebelen. Het betrof geen kinderlied om de ritmische kleutergym op te leuken, maar een hippe track. Op zich is dat wel weer knap, dat deze twee mensen daar echt in geloofden. Dat moet je maar kunnen. Wegrennende duinkonijntjes verkopen. Lucht in een gouden lijst.
Er stonden twee dessertlepels in een leeg kommetje op tafel. Spontaan kwam er een schitterende liedregel in mij op: Kom lepel, lepeltje, lekker lepel aan lepeltje. Wil iemand het voor mij op muziek zetten? Dan kom ik graag als dom blondje op tv. Mijn haar heb ik al mee. Een zo’n kromme zin met een drumcomputertje eronder, loont meer dan een boek vol zingende zinnen. Ik heb ook al een refrein: Da dada dada dadaïsme.






Recente reacties