Ze is best lief. Eigenlijk is mijn schoonzus een schat. Maar ze zei: ‘Ik geef niets meer aan Afrika. Laten ze eens kijken naar de armoede in Nederland.’ Mijn linkse moeder trok van leer. Probeerde uit te leggen wat dat moest zijn. Niets hebben. Echt niets. Niet eens een leven. Hier hebben arme mensen altijd nog iets. Ze zaten naast elkaar op de bank en aten verjaardagstaart. Mijn taart. Chocolade en Mocca. Ik zweeg. Dacht aan het plaatje. Eens scheurde ik het uit omdat het me raakte. Diep. Het zat jaren op mijn memobord. Iedere blik die ik er op wierp deed me opnieuw pijn. Inmiddels zit het beeld op mijn netvlies gebrand. Kijk! Hoe kun je zeggen dat het went? Hoe kun je zeggen dat je niets meer geeft aan om Afrika. Je zou maar net dat ene kind zijn.
Archief voor februari 2008
Nog twee dagen en dan is ze 40. Eigenlijk heeft ze niks met getallen. Zegt leeftijd haar weinig. Men gaat er wat van mijmeren: Het meisje moet nu echt verdwenen zijn. Maar ergens houdt ze zich schuil in haar zoon die toch ook niet klein meer is zo op de drempel van de middelbare school. Af en toe trekken ze hetzelfde gezicht en op die momenten als ze ziet dat hij met zijn houding geen raad weet omdat iemand zegt hoe hij op zijn moeder lijkt, dat hun gezichten eender zijn terwijl hij, zij dat zelf niet zo zien, dan voelt ze het innerlijk kind jeuken via haar zoon in de herinnering van schuchterheid achter die overbekende trekken. Een beetje uit de hoogte. Zo leest verlegenheid soms.
Daar waar het gras vochtig was, met plukken gemaaid bruin bestrooid en je voeten nog warm van najaar, broeide de aarde. Gehurkt raapten de vrouwen veertjes en herinnerden zichzelf negen. Hoe ze ook. Altijd samen. Zij zou als eerste veertig en daarna Jolien. Jolien schreeuwde iets over een feestje. Zoals altijd zat Ief lijdzaam in het schaduwbeeld van een zonnige Jolien met uitzicht op een speels bh bandje rond een blote schouder. Zij zou kijken hoe Jolien zou dansen en in stilte haar eigen jaren tellen. ‘Als je van binnen wordt gekrabd, zien ze niet dat het zeer doet!’ zei ze ineens tegen haar vriendin die de schrammen van de braamstruiken op haar armen bekeek.
‘Wel bij jou Ief.’
‘Bij mij?’
‘In jouw blik roest het eeuwige geduld.’
‘?’
‘Ik zie een long, vishaak en dan scherpte in het been.’
‘Scherpte in het been?’
‘Versplintering. Allemaal kleine stukjes. Versteende scherfjes.’
‘Dit doet pijn.’
‘Dat doet pijn. Je kunt beter eens een keer schreeuwen als hij…’
‘Als hij wat?’
Jolien zweeg en bukte. Tussen duim en wijsvinger hield ze een wit donsveertje omhoog.
‘Zie je hoe zacht en kwetsbaar? Net zoals jij!’ Ief keek en bolde haar wangen om tegen het pluizige dons aan te blazen.
‘Breek het dan, als je kan!’ Jolien boog de korte schacht een paar keer dubbel om het daarna los te laten. Het veertje danste op de wind zoals zij straks zou dansen op de dag van veertig en Ief, dan al een week veertig, kaarsrecht tegen de witte muur volkomen misplaatst als rode zuring in het projectielicht van jeugd dia’s op techno-beat. Niet kapot te krijgen.
In de schelp
huist het kind,
ruist bloed een
strijdlied voor
Bloedballade
van weleer
verstoort cadans,
hapert in een
jongenshart,
stemt muziek
van later
Zeven
windingen,
gegroefd
tot in lengte
van dagen
-Niet vragen-
De man
van nu
ogen open
iets naar benee,
zoekend naar
kaurischelpen
langs Noordzee
Aangespoelde
geest, neuriet
verweesd, het spoor
van de strandplevier
De branding
bespeelt zijn gemis
-Is-
‘Mag ik een energiekaartje trekken?’ vraagt mijn oudste zoon. Ik zit als een opgevouwen vlinder in mijn schrijverscocon en knik afwezig. Weet hoe dol hij is op de mooi gekleurde afbeeldingen. De bijbehorende boodschap zegt hem minder. ‘Wel rustig nadenken voor je pakt he?’ Razendsnel trekt hij een kaart die zegt dat hij in meditatie moet. Zijn overhaast pakken wordt meteen beantwoord. Ik werp hem toe dat me dat een goed idee lijkt met morgen de CITO-toets in het vooruitzicht. Maar meneer vindt meditatie alles behalve spannend dus bedelt om nog een kaart. Ik gooi er tegenin dat het zo niet werkt, net zolang kaarten trekken totdat er één naar je zin is. Ondertussen stelt hij voor om beiden een getal in het hoofd te nemen en dan een kaart te pakken. Ik houd mijn vleugels stijf want wil eigenlijk niet uit mijn tekst kruipen. Om er vanaf te zijn brom ik iets dat zowel een ja als nee kan betekenen en sluit voor een moment mijn ogen. Een 9 speelt kiekeboe achter een denkbeeldig muurtje. ’Ik zie een 9.’ Dan waaier ik de kaarten uit en pak een kaart. Mijn zoon roept 31 en trekt 25. Als ik mijn kaart omdraai zie ik de 9. Ik schiet in de lach. Ik lijk Uri Geller wel. ‘Zullen we het nog een keer doen mam?’
‘Nee, dan lukt het niet meer. Dit was een toevalstreffer.’ Toch sla ik verwaand mijn vleugels uit en zeg: ‘Vanavond toch eens kijken of ik een lepeltje kan buigen
!’
illustratie Inge Nicole
De kus van Klimt heeft me altijd geraakt. Laatst drukte ik een kus in dunne lijntjes zwart uit eigen hand op papier. Ooit maakte ik een gedicht over het verlangen naar een kus. Over de hand van een man die begeerlijke vrouwenlippen vangt in zijn eigen kader. Abstraheert. Het is een gedicht dat ik nu te slap vind. Te zoet. Niet goed. Het woordje lief stoort me enorm. De kus uit Zon in het haar als voorbode van het kwaad: Voorzichtig wentelen onze tongen om elkaar heen als parende naaktslakken rond een dodelijk schaaltje bier (blz.26), vind ik wat dat betreft een beter beeld.
Je vouwt een kijker
van MANdoline handen,
langs de vleesranden een
ideogram van lief
Pelt een partje lip
plastiek, op jouw
palmen voetstuk trilt
tussen vlammend vloei
mondmuziek van lief.
Zie: Bijna




Recente reacties