Een stempel nalaten op ‘t tijdelijk wit van deze morgen, dat wilde ik. Mijn menselijke warmte deed het koude kapok smelten als sneeuw voor de zure regen. Over twintig jaar, als ik zestig ben, is sneeuw slechts iets uit de herinnering. Ze plaagt nog wat door te vallen in de lente. Haast was ik de winter vergeten, zelfs op mijn verjaardag scheen de zon.
Archief voor maart 2008
Ik las iets zinnigs over het schrijversschap: Olga Tokarczuk Zelf las ik het van papier af in de Vrij Nederland waar de schrijfster zich zonder make-up in een bruin slobbervest in een jaren 70 decor staande hield (met twee slapende honden op een rood patchwork kleed), de benen gegrond op een groen geschilderde houten vloer. Daar stond een schrijfster. De armen om het tengere postuur geslagen om zo haar inhoud te beschermen. Mooi.
Het leest anders, de drukproef. Meer objectief omdat de tekst los is komen te staan van de stukgelezen manuscript-vellen. Griezelig vind ik het eveneens. Je kunt slechts kleine dingen veranderen. Een verkeerd afgebroken woord aanwijzen. Twee zinnen samenvoegen naar één. Een enkel woord schrappen. Het zijn haast letterlijk de laatste puntjes op de i. Stel je voor dat je alles prut vindt nu het zo opgemaakt voor je ligt. Dat idee is griezelig. Het is wel vier jaar werk (met tussenpozen).
Beneden aan de eettafel heb ik twee dagen gelezen. Weg van de computer waar verschillende versies op staan. De uitgever hoefde me ook niet de eerder gestuurde prints te zenden om te vergelijken. Ik wilde het lezen als het boek van een ander. Het las beter dan de drukproef van Zon in het haar. Daar dacht ik veel vaker:…dit is niks…dat is niks…ik vind het helemaal niks! Nu kreeg ik niet de neiging om van alles te veranderen. Eigenlijk denk ik dat het wel een aardig boek is geworden. Natuurlijk kan het beter. Het kan altijd beter. Maar dat bewaar ik voor in mijn derde boek.
Vanuit de tuin kwam je via een houten trapje in de keuken. De tuin lag op een helling met helemaal onderaan een laag hek. Achter dat hek liep de tuin gewoon door of eigenlijk liep het landschap door in de tuin. Het huis was een geschakeld grachtenhuis, de middelste van drie, en daar omheen was niets. Alsof er midden op een oude stad een bom was gevallen en er drie huizen waren blijven staan terwijl de natuur en de tijd alles daar omheen overwoekerd had.
Bij een spoorlijn hield de helling op. Ik moest met de trein mee. Twee tassen had ik bij me. Een keurige aktetas en een plunjezak. Bij het instappen bleven de tassen op het perron staan waardoor ik er bij de eerste halte weer uit moest om, om te keren. Maar ik klom vanaf het spoor de helling op en kwam weer uit bij mijn huis waarvan ik alleen de keukenvloer kon zien.
In de tuin op de helling groef ik een ondiepe kuil die ik bekleedde met een stuk folie. Ik leegde er mijn aquarium in. De nieuwe goudvissen van mijn vriendin zwommen er eveneens. En nog meer. Een heleboel. De mottige hond die van vaatdoek een bloedhond was geworden, likte met zijn enorme tong de goudvissen naar binnen. Toen ik besloot om het dier maar niet meer in te spuiten, lag hij weer als vanouds als een vaatdoek in de keuken op de lapis-blauwe tegelvloer.
We fietsen in de regen, over de Tesselsebrug (inmiddels staat daar het stadskantoor naast met een enorme parkeergarage) want de Friese brug is afgesloten. In september 1996 legde ik deze route liggend af in de ambulance, met de elfjarige jongen die nu naast me fietst nog in mijn buik, vlak voor de spoedkeizersnede. We fietsen in de regen en het kan ons niets schelen, want vandaag is het eveneens een speciale dag. Vandaag schrijven we hem in. Het gymnasium ligt dichtbij het ziekenhuis. De ambulance moet er langsgereden zijn. Nu stallen we de fietsen in de stalling en betreden het oude gebouw. Ik kijk naar de stenen treden. ‘Hier zul je zes jaar lang over heen lopen,’ zeg ik mijn zoon en kijk naar zijn afgetrapte gympies. ‘Niet als ik eraf getrapt word!’ is zijn antwoord. Maar ik dwaal al verder af met mijn gedachten. Ongeboren passeerde hij warm geborgen in zijn moeder de school, nu stapt hij als jongen -die-zijn-moeder-bij-dit-soort-zaken-nog-hard-nodig-heeft de school binnen en over zes jaar is hij geen jongen meer. Komt hij slungelig naar buiten en zal zijn moeder onhandig begroeten. Aan zulke dingen denkt een moeder. Hij denkt aan de eerste schooldag. Of hij niet zal verdwalen. Wat voor nieuwe vrienden hij zal gaan krijgen. Als we weer buiten zijn regent het niet meer. Hij vraagt wat we vanavond eten.
De tram kwam altijd te snel voor Daantje. De rails reet hun levens wreed uiteen. ‘Dag meneer!,’ dacht Daantje dan droef en keek hoe ze de huizen, de mensen, de winkels, het opgeschilderde stadse grijs achter zich liet met als eindbestemming een naargeestig station. Wanneer zou ze zijn kamer weer zien? Over een jaar? Een maand? Nooit meer?
Op meneer zijn kamer hing een vogelkooi met daarin een dode muis. Geen echte. Zo’n eentje voor een kat van konijnenbont. Over de antieke loper op de trap kroop ze zijn leven in. Dan pakte hij haar jas aan en ging voor. Het was het huis van een meneer. Geen bloemen. Geen overbodige frutsels op de vogelkooi na. Alles had een functie. Zij ook. Al wist ze nog niet welke.
Daantje was geboren in de zomer toen meneer al een leven had gehad. Iets van het dorp, de blauwe korenbloemen, de polder met het wuivende riet nam ze mee naar de stad. Naar de kamer van meneer. Toch gaf zijn kleine, kale kamer haar meer ademruimte dan het erf van haar ouders. Zijn ademhaling in haar nek bevrijde haar van de uitgestippelde verstikking. Hij kookte aardappels zonder zout. Dronk vlierbessensap als wijn en zei dat bloed ook zo moest smaken. En dan even, heel even, streek zijn hand over haar donkerblonde haar.
Ze lagen naast elkaar op de versleten chaise longue en altijd weer vroeg hij haar wat ze nou samen hadden. In de tram wist ze het antwoord maar in haar ouderlijk huis vergat ze dat weer. Pas als ze na een paar weken de lege melkflessen vergeleek met de holte in haar buik zou ze meneer kunnen vertellen wat ze nu hadden of konden hebben of moesten missen. Ze kocht treinkaartjes waarmee ze niet afreisde, kookte aardappels met rozemarijn en stuurde in gedachte glazen flessen met orchideeën naar de keukentafel in de kamer met de vogelkooi. Daar moest een vogeltje in.
Voor als je van zweven houdt: spiritueel blog






Recente reacties