De tram kwam altijd te snel voor Daantje. De rails reet hun levens wreed uiteen. ‘Dag meneer!,’ dacht Daantje dan droef en keek hoe ze de huizen, de mensen, de winkels, het opgeschilderde stadse grijs achter zich liet met als eindbestemming een naargeestig station. Wanneer zou ze zijn kamer weer zien? Over een jaar? Een maand? Nooit meer?
Op meneer zijn kamer hing een vogelkooi met daarin een dode muis. Geen echte. Zo’n eentje voor een kat van konijnenbont. Over de antieke loper op de trap kroop ze zijn leven in. Dan pakte hij haar jas aan en ging voor. Het was het huis van een meneer. Geen bloemen. Geen overbodige frutsels op de vogelkooi na. Alles had een functie. Zij ook. Al wist ze nog niet welke.
Daantje was geboren in de zomer toen meneer al een leven had gehad. Iets van het dorp, de blauwe korenbloemen, de polder met het wuivende riet nam ze mee naar de stad. Naar de kamer van meneer. Toch gaf zijn kleine, kale kamer haar meer ademruimte dan het erf van haar ouders. Zijn ademhaling in haar nek bevrijde haar van de uitgestippelde verstikking. Hij kookte aardappels zonder zout. Dronk vlierbessensap als wijn en zei dat bloed ook zo moest smaken. En dan even, heel even, streek zijn hand over haar donkerblonde haar.
Ze lagen naast elkaar op de versleten chaise longue en altijd weer vroeg hij haar wat ze nou samen hadden. In de tram wist ze het antwoord maar in haar ouderlijk huis vergat ze dat weer. Pas als ze na een paar weken de lege melkflessen vergeleek met de holte in haar buik zou ze meneer kunnen vertellen wat ze nu hadden of konden hebben of moesten missen. Ze kocht treinkaartjes waarmee ze niet afreisde, kookte aardappels met rozemarijn en stuurde in gedachte glazen flessen met orchideeën naar de keukentafel in de kamer met de vogelkooi. Daar moest een vogeltje in.


Recente reacties