Vanuit de tuin kwam je via een houten trapje in de keuken. De tuin lag op een helling met helemaal onderaan een laag hek. Achter dat hek liep de tuin gewoon door of eigenlijk liep het landschap door in de tuin. Het huis was een geschakeld grachtenhuis, de middelste van drie, en daar omheen was niets. Alsof er midden op een oude stad een bom was gevallen en er drie huizen waren blijven staan terwijl de natuur en de tijd alles daar omheen overwoekerd had.
Bij een spoorlijn hield de helling op. Ik moest met de trein mee. Twee tassen had ik bij me. Een keurige aktetas en een plunjezak. Bij het instappen bleven de tassen op het perron staan waardoor ik er bij de eerste halte weer uit moest om, om te keren. Maar ik klom vanaf het spoor de helling op en kwam weer uit bij mijn huis waarvan ik alleen de keukenvloer kon zien.
In de tuin op de helling groef ik een ondiepe kuil die ik bekleedde met een stuk folie. Ik leegde er mijn aquarium in. De nieuwe goudvissen van mijn vriendin zwommen er eveneens. En nog meer. Een heleboel. De mottige hond die van vaatdoek een bloedhond was geworden, likte met zijn enorme tong de goudvissen naar binnen. Toen ik besloot om het dier maar niet meer in te spuiten, lag hij weer als vanouds als een vaatdoek in de keuken op de lapis-blauwe tegelvloer.


Recente reacties