Archief voor april 2008

Rondzingen

Mijn  buurjongen studeert eind mei af aan het conservatorium als toetsenist. Af en toe hoor je eens een musicalmeid door de zoldermuur heen blèren maar voor de rest studeert hij vrij beschaafd. Ik mag zijn blèr microfoon lenen voor as zondag. Als je nou ff ’s avonds langs komt, dan leg ik je de aansluiting uit…’  aldus Bas de toetsenist, bang dat ik anders de, van eigen geld gespaarde, apparatuur in één keer op zal blazen.

Zo komt het dat ik bij mijn buurtjes een snelcursus microfoon-beheersing volg. Ik leer dat ik de microfoon bijna op moet eten omdat het een zang-microfoon betreft, krijg een lesje in rondzingen en moet de buurjongen op het hart drukken alle knoppen (zeker het volume) uit te laten alvorens de stekker in het (geaarde) stopcontact te steken. Bas laat me de microfoon-standaard inklappen, vertelt over een galm, een brom en hoe ik de bas uit mijn stem kan filteren of koud als metaal kan klinken en dat voor de box gaan staan uit den boze is (ik zeg hem bevroren achter-mijn-boek-achter-de-box te zullen staan  en geenszins van plan te zijn  als  een rapper rond te stuiven). Mocht ik as zondag nu toch gaan rondzingen of piepen of brommen of iets laten ontploffen, het ligt niet aan de toetsenist van hiernaast

Gisteren in café Globaal


De uitgever                            De schrijfster



De Haarlemse vrienden



En lieve Eva die kleine kreetjes slaakte tijdens het fragment over het Ethiopische kindertehuis en zo een wel zeer realistische ruis aan de voordracht gaf.

Boekpresentatie

En dat allemaal bij de eerste inzet

 

In de krappe cd-zaak met een ruim assortiment aan wereldmuziek glijden mijn handen tussen het stapeltje ‘Afrika’ door. Mijn gevoel heeft me ingefluisterd dat hier een cd te vinden is met uitsluitend Ethiopische muziek, ook al zegt het thuisfront dat het-er-toch-wel-niet-zal-zijn. Dan herken ik de Amhaarse lettertekens en lees: Minyeshu Dire Dawa. Hebbes! Ik vraag aan de verkoper of het vrij oorspronkelijk is, dat wil zeggen zonder Westers sausje. Als ik ergens een hekel aan heb is het aan zo’n dwingeland van een synthesizertje die een pact met een koud computerbeatje heeft gesloten om tezamen de wereldklanken te verkrachten. De gedreven verkoper vertelt dat Minyeshu Kifle Tedla deze of volgende week bij de VPRO te horen is bij Vrije Geluiden en dat het heel puur is en of ik wil luisteren. Dat wil ik.

Ik zet de koptelefoon op en al bij de eerste tonen van Halafi nen kealem voel ik mij weer met beide voeten op Ethiopische grond staan. Bij de dansers en live muzikanten en sterke koffie in kleine glazen. Langzaam beweeg ik mijn hoofd mee. Ineens bemerk ik hoe mijn keel zich dicht knijpt. Ik slik even om te voorkomen dat mijn ogen vochtig worden. Ik ben hier om muziek te kopen om te draaien tijdens mijn boekpresentatie. Dat is leuk om te doen. Thuis hebben we verschillende Afrikaanse cd’s, maar cd’s met uitsluitend Ethiopische muziek zijn schaars.

Nu sta ik in een kaasstad zachtjes te bewegen op Ethiopische klanken en begin bijna te huilen. Ik besef ineens dat ik naast het vooruitzicht op een persoonlijk feestje ook een boek heb geschreven over het verlies van een kind. En over hoe overweldigend Ethiopië in een week tijd over me heen is gekomen. Hoe ik de mensen, de geluiden en geuren in me op heb genomen en me bevoorrecht voelde om zo’n mooi kind mee te mogen nemen. Hoe ik mijn pijn voor het beschadigde kind voortdurend moet onderdrukken omdat we toch door moeten, wij allemaal. En dat allemaal bij de eerste inzet van Minyeshu Kifle Tedla.

Geroosterde duif in een parkeergarage

Ik kwam moe thuis en vond het huis vol visite. Kinderen die ik niet kende renden er rond, bekenden en onbekenden, ook schrijvers en kunstenaars die ik alleen vanuit de media ken, zaten aan tafel te eten alsof dat de normaalste gang van zaken was. Mijn huis had de indeling van een kasteel met vele vertrekken en trappen. De inrichting was klassiek. Stoeltjes met gekrulde leuningen en rode zittingen. Kasten van donker houtwerk. Kroonluchters en hoge muren. Het deed niet warm aan.

Ik had honger en schoof aan een ronde tafel waar niemand zat met op een bord een boterham besmeerd met honing. Over de boterham heen lagen drie blaadjes veldsla gedrapeerd. Iemand van de bediening zei me dat het veldmuisjes moesten voorstellen. De steeltjes leken inderdaad op muizenstaartjes. Drie groene muisjes zonder kop, vluchtend over mijn brood. Op mijn bord waren de blaadjes vers maar op de andere borden al verlept en geslonken. Voordat ik mijn boterham op kon eten haalde de bediening het onder mijn neus vandaan.

Ik had nog steeds honger en zocht verder. In een grote zaal zaten bekende Nederlanders, vermengd met vrienden van mij, aan een lange tafel duif te eten. Een al wat oudere acteur, trok een stuk vlees van een geroosterde duif en hield het mij voor. Het vet droop van zijn vingers. Ik draaide mijn hoofd van hem weg waardoor het stuk gevogelte in plaats van in mijn mond in mijn geopende tas terecht kwam. Ze wilden dat ik bij hen aan tafel kwam zitten wat-ik-maar-deed al was er uitsluitend duif te eten. Een corpulente schrijver zette zijn schoen op mijn blote voet en duwde vervelend tegen mij aan. Ik zei dat hij op moest houden maar hij hield niet op zodat ik opstond om te zoeken naar een lege ruimte. Maar op de kale gangen na waren er overal mensen. Het doel van hun aanwezigheid ontging mij.

In een zwart zwierig zomerjurkje ging ik boven aan een trap zitten en liet me zo naar beneden glijden. Beneden aangekomen wilde ik naar buiten. De buitenkant van het huis leek op een enorme parkeergarage in een Amerikaanse slaapstad omringd door drukke snelwegen zonder trottoirs. De zon scheen fel. Langs de rand van een weg liep ik uit de drukte en kwam in een buurt terecht waar Spaans werd gesproken en ik sloot me aan bij een groepje Mexicaanse meiden die druk pratend richting mijn huis liepen. We passeerden getatoeëerde Maori-mannen in Hiphop kleding die me gewapend met speren vijandig aankeken. Ineens zag ik een turkooizen oceaan naast de weg liggen waar de Maori’s met hun speren vis aan het vangen waren.  Niet veel later werd ik omringd door water. De oceaan was door dammen in gelijke vakken verdeeld zo groot als voetbalvelden. Ik gleed uit op een dam en viel in het water en was (zoals altijd in een tropische zee) bang voor haaien. Iets of iemand hielp me uit het water zodat ik weer verder kon lopen.

Al gauw herkende ik in de verte de omgeving van mijn huis en hoopte dat inmiddels alle bezoekers verdwenen zouden zijn.

Meissies

Zus gaat rechtop staan met de benen iets uit elkaar. Om haar woorden kracht bij te zetten, plaatst ze haar handen in de zij, haar beeldige jurk gaat op in het grove lijf van oom Arie als ze met verzwaarde stem zegt: ‘Zo meissies!’ Ik lig in een deuk om haar imitatie en zie ons weer wegduiken in de achterkamer van oma met de aangeschoten oom Arie die, wild om zich heen kijkend, op zoek was naar de meissies. Zweterig met zijn rode aardappel gezicht en de aangestampte boksersneus boezemde hij ons angst in. Na een paar neuten werd hij vrijgevig, zeker als je bij hem op schoot kwam zitten maar daar deden ik en Zus niet aan.

Zeer beeldend verhaalt Zus over een klauw kleingeld en de plakkerige briefjes van vijf die hij uit zijn zak viste om ons in de hand te drukken of bij wankel evenwicht als pepernoten rond te strooien. Toen op een dag de lever van oom Arie het niet meer bij kon benen en hij in zijn kist lag, mocht de kist niet meer open. Zijn door drank geconserveerde lijf was zonder dagelijkse inname snel in een verre staat van ontbinding geraakt. Een beroerde vent was het niet. Maar wij waren bang van zijn harde stem, grote handen en de dranklucht om hem heen. Iets in ons wist ook dat je als meissie niet bij hem op schoot moest gaan zitten.

Toen ik een paar jaar later in het ziekenhuis lag, kwam ik Tom tegen. Tom had op verschillende plaatsen zijn been gebroken en zijn getakelde ledemaat kluisterde hem aan bed. De grote bouten in zijn tengere jongensbeen deden mij gruwelen. Ik mocht vrij rond huppelen, en huppelde met mijn nieuwe ziekenhuisvriendin (een vrolijk mollig, ondeugend diabeetje) regelmatig naar de jongenskamer. Ik vond Tom wel leuk. Hij was serieus, had mooie ogen, droeg schuin over zijn voorhoofd een lok haar en durfde het eten van de zwaarlijvige Surinaamse zuster te weigeren.

Na het televisie kijken in de recreatieruimte duwde ik hem al rennend met bed en al door de gang naar zijn kamer terug. Er lagen weinig kinderen op de afdeling. De kleintjes lagen op een andere gang. Wij waren met vier pubers: Mijn nieuwe vriendin, Tom en een dikke jongen. Tom zei mij te kennen van de kermis maar ik had hem nooit eerder gezien. Wel kwam hij uit dezelfde buurt als oom Arie. Oom Arie kende hij ook. De hele buurt kende oom Arie. De vuilnisman met een slok teveel op, die rustig alle kinderen uit de buurt op ijs trakteerde. Ik werd eerder uit het ziekenhuis ontslagen dan Tom dus het is nooit iets geworden. Dit terzijde.

Roots zijn niet te verhullen want zelfs ik lul na enkele anekdotes velen malen platter dan gewoonlijk en sla lachend met mijn handen op de dijen, waardoor ik niet echt zou misstaan in de volksbuurt  (waar mijn moeder eveneens opgroeide en werd gepest vanwege haar nette spraak) van oom Arie.

Tween the movie

Ik dacht; laat ik maar weer eens een filmpje (zie filmflinters) maken, filmpjes doen het goed de laatste tijd, maar  ik krijg em er niet op, aan de andere kant doet een aankondiging van een nog-te-komen filmpje het tegenwoordig beter dan het filmpje zelf.

 

 

Gas(t)vrij

Via de zoekopdracht; cavia vergassen, krijg ik een bezoeker op mijn weblog. Wat houden mensen er toch een rare hobby’s op na. Of de hobby valt tegen en men wil er snel vanaf. Misschien blijkt er een geheim genootschap te bestaan, en komt straks de hele club langs vanwege dit log. Of zou het een culinaire club betreffen? Het kan ook een lichtelijk gestoorde enkeling zijn natuurlijk. Mijn zoons hebben twee dikke cavia’s. Ik zeg altijd dat we ze houden voor een eventuele hongerwinter. Dan krijg ik naar mijn hoofd geslingerd dat ze nog eerder mij zullen opeten. Ik sta onder de cavia’s in de huiselijke hiërarchie. Ben zo’n beetje het zilvervisje tussen de voegen van het toilet.

 

Vers gebakken boek

 

23 April is het wachten ten einde. Dan komt Het wachthuis van de drukker. Op diezelfde dag is in het Mondiaal Centrum Haarlem van 17.00-20.00 uur een debat-café waar ik het korte poëzie onderdeel (10 minuten) mag verzorgen. Het hoofdthema van die middag/avond is ‘grondrechten en vrijheid’  maar de dichter is niet gebonden aan het hoofdthema. Ik mag zelfs in plaats van gedichten enkele fragmenten uit Het wachthuis voorlezen, dat is wel verleidelijk uit een vers gebakken boek. Verder is er muziek, een column en komen er een aantal korte onderwerpen aan de orde (cradle to cradle, milieudegradatie, verkiezingen Zimbabwe).

 

Een plaatje

aasl.jpg

Ik heb veel plaatjes geschoten. Snapshots waarin je stil zit, ligt of staat. Hier was je ziek. Zieke kinderen mogen met een dekentje op de bank. De beste herinneringen aan jou heb ik gek genoeg aan kinderziektes.  Dan was je energie-level haast normaal en konden wij elkaar bereiken.

aatje.jpg

Mijn lievelingsfoto is die van het Griekse strand. Je had koorts maar dat wist ik nog niet. Fluweelzacht, met wit suikerzand bepoederd, lag je in mijn armen. Het donker van je bolletje stak mooi af tegen het felroze van mijn bikini. Een zeldzaam moment waarin twee armen afdoende waren om je af te sluiten voor de prikkel-rijke wereld om je heen.

Ik wist nog niet wat voor jaren er zouden volgen. Ik wist nog van niets. Had geen weet van aandoeningen die, zelfs al zou je onder alle dekens van de wereld op een bank kruipen, niet overgaan.

Laatst was ik net zo dichtbij als in Griekenland. We slenterden naar de kliniek en je had uit jezelf je arm om me heen geslagen.