Zus gaat rechtop staan met de benen iets uit elkaar. Om haar woorden kracht bij te zetten, plaatst ze haar handen in de zij, haar beeldige jurk gaat op in het grove lijf van oom Arie als ze met verzwaarde stem zegt: ‘Zo meissies!’ Ik lig in een deuk om haar imitatie en zie ons weer wegduiken in de achterkamer van oma met de aangeschoten oom Arie die, wild om zich heen kijkend, op zoek was naar de meissies. Zweterig met zijn rode aardappel gezicht en de aangestampte boksersneus boezemde hij ons angst in. Na een paar neuten werd hij vrijgevig, zeker als je bij hem op schoot kwam zitten maar daar deden ik en Zus niet aan.
Zeer beeldend verhaalt Zus over een klauw kleingeld en de plakkerige briefjes van vijf die hij uit zijn zak viste om ons in de hand te drukken of bij wankel evenwicht als pepernoten rond te strooien. Toen op een dag de lever van oom Arie het niet meer bij kon benen en hij in zijn kist lag, mocht de kist niet meer open. Zijn door drank geconserveerde lijf was zonder dagelijkse inname snel in een verre staat van ontbinding geraakt. Een beroerde vent was het niet. Maar wij waren bang van zijn harde stem, grote handen en de dranklucht om hem heen. Iets in ons wist ook dat je als meissie niet bij hem op schoot moest gaan zitten.
Toen ik een paar jaar later in het ziekenhuis lag, kwam ik Tom tegen. Tom had op verschillende plaatsen zijn been gebroken en zijn getakelde ledemaat kluisterde hem aan bed. De grote bouten in zijn tengere jongensbeen deden mij gruwelen. Ik mocht vrij rond huppelen, en huppelde met mijn nieuwe ziekenhuisvriendin (een vrolijk mollig, ondeugend diabeetje) regelmatig naar de jongenskamer. Ik vond Tom wel leuk. Hij was serieus, had mooie ogen, droeg schuin over zijn voorhoofd een lok haar en durfde het eten van de zwaarlijvige Surinaamse zuster te weigeren.
Na het televisie kijken in de recreatieruimte duwde ik hem al rennend met bed en al door de gang naar zijn kamer terug. Er lagen weinig kinderen op de afdeling. De kleintjes lagen op een andere gang. Wij waren met vier pubers: Mijn nieuwe vriendin, Tom en een dikke jongen. Tom zei mij te kennen van de kermis maar ik had hem nooit eerder gezien. Wel kwam hij uit dezelfde buurt als oom Arie. Oom Arie kende hij ook. De hele buurt kende oom Arie. De vuilnisman met een slok teveel op, die rustig alle kinderen uit de buurt op ijs trakteerde. Ik werd eerder uit het ziekenhuis ontslagen dan Tom dus het is nooit iets geworden. Dit terzijde.
Roots zijn niet te verhullen want zelfs ik lul na enkele anekdotes velen malen platter dan gewoonlijk en sla lachend met mijn handen op de dijen, waardoor ik niet echt zou misstaan in de volksbuurt (waar mijn moeder eveneens opgroeide en werd gepest vanwege haar nette spraak) van oom Arie.


Recente reacties