Archief voor 18 april 2008

En dat allemaal bij de eerste inzet

 

In de krappe cd-zaak met een ruim assortiment aan wereldmuziek glijden mijn handen tussen het stapeltje ‘Afrika’ door. Mijn gevoel heeft me ingefluisterd dat hier een cd te vinden is met uitsluitend Ethiopische muziek, ook al zegt het thuisfront dat het-er-toch-wel-niet-zal-zijn. Dan herken ik de Amhaarse lettertekens en lees: Minyeshu Dire Dawa. Hebbes! Ik vraag aan de verkoper of het vrij oorspronkelijk is, dat wil zeggen zonder Westers sausje. Als ik ergens een hekel aan heb is het aan zo’n dwingeland van een synthesizertje die een pact met een koud computerbeatje heeft gesloten om tezamen de wereldklanken te verkrachten. De gedreven verkoper vertelt dat Minyeshu Kifle Tedla deze of volgende week bij de VPRO te horen is bij Vrije Geluiden en dat het heel puur is en of ik wil luisteren. Dat wil ik.

Ik zet de koptelefoon op en al bij de eerste tonen van Halafi nen kealem voel ik mij weer met beide voeten op Ethiopische grond staan. Bij de dansers en live muzikanten en sterke koffie in kleine glazen. Langzaam beweeg ik mijn hoofd mee. Ineens bemerk ik hoe mijn keel zich dicht knijpt. Ik slik even om te voorkomen dat mijn ogen vochtig worden. Ik ben hier om muziek te kopen om te draaien tijdens mijn boekpresentatie. Dat is leuk om te doen. Thuis hebben we verschillende Afrikaanse cd’s, maar cd’s met uitsluitend Ethiopische muziek zijn schaars.

Nu sta ik in een kaasstad zachtjes te bewegen op Ethiopische klanken en begin bijna te huilen. Ik besef ineens dat ik naast het vooruitzicht op een persoonlijk feestje ook een boek heb geschreven over het verlies van een kind. En over hoe overweldigend Ethiopië in een week tijd over me heen is gekomen. Hoe ik de mensen, de geluiden en geuren in me op heb genomen en me bevoorrecht voelde om zo’n mooi kind mee te mogen nemen. Hoe ik mijn pijn voor het beschadigde kind voortdurend moet onderdrukken omdat we toch door moeten, wij allemaal. En dat allemaal bij de eerste inzet van Minyeshu Kifle Tedla.

Geroosterde duif in een parkeergarage

Ik kwam moe thuis en vond het huis vol visite. Kinderen die ik niet kende renden er rond, bekenden en onbekenden, ook schrijvers en kunstenaars die ik alleen vanuit de media ken, zaten aan tafel te eten alsof dat de normaalste gang van zaken was. Mijn huis had de indeling van een kasteel met vele vertrekken en trappen. De inrichting was klassiek. Stoeltjes met gekrulde leuningen en rode zittingen. Kasten van donker houtwerk. Kroonluchters en hoge muren. Het deed niet warm aan.

Ik had honger en schoof aan een ronde tafel waar niemand zat met op een bord een boterham besmeerd met honing. Over de boterham heen lagen drie blaadjes veldsla gedrapeerd. Iemand van de bediening zei me dat het veldmuisjes moesten voorstellen. De steeltjes leken inderdaad op muizenstaartjes. Drie groene muisjes zonder kop, vluchtend over mijn brood. Op mijn bord waren de blaadjes vers maar op de andere borden al verlept en geslonken. Voordat ik mijn boterham op kon eten haalde de bediening het onder mijn neus vandaan.

Ik had nog steeds honger en zocht verder. In een grote zaal zaten bekende Nederlanders, vermengd met vrienden van mij, aan een lange tafel duif te eten. Een al wat oudere acteur, trok een stuk vlees van een geroosterde duif en hield het mij voor. Het vet droop van zijn vingers. Ik draaide mijn hoofd van hem weg waardoor het stuk gevogelte in plaats van in mijn mond in mijn geopende tas terecht kwam. Ze wilden dat ik bij hen aan tafel kwam zitten wat-ik-maar-deed al was er uitsluitend duif te eten. Een corpulente schrijver zette zijn schoen op mijn blote voet en duwde vervelend tegen mij aan. Ik zei dat hij op moest houden maar hij hield niet op zodat ik opstond om te zoeken naar een lege ruimte. Maar op de kale gangen na waren er overal mensen. Het doel van hun aanwezigheid ontging mij.

In een zwart zwierig zomerjurkje ging ik boven aan een trap zitten en liet me zo naar beneden glijden. Beneden aangekomen wilde ik naar buiten. De buitenkant van het huis leek op een enorme parkeergarage in een Amerikaanse slaapstad omringd door drukke snelwegen zonder trottoirs. De zon scheen fel. Langs de rand van een weg liep ik uit de drukte en kwam in een buurt terecht waar Spaans werd gesproken en ik sloot me aan bij een groepje Mexicaanse meiden die druk pratend richting mijn huis liepen. We passeerden getatoeëerde Maori-mannen in Hiphop kleding die me gewapend met speren vijandig aankeken. Ineens zag ik een turkooizen oceaan naast de weg liggen waar de Maori’s met hun speren vis aan het vangen waren.  Niet veel later werd ik omringd door water. De oceaan was door dammen in gelijke vakken verdeeld zo groot als voetbalvelden. Ik gleed uit op een dam en viel in het water en was (zoals altijd in een tropische zee) bang voor haaien. Iets of iemand hielp me uit het water zodat ik weer verder kon lopen.

Al gauw herkende ik in de verte de omgeving van mijn huis en hoopte dat inmiddels alle bezoekers verdwenen zouden zijn.