‘Heb je nog meer boeken?’ vraagt de fotograaf.
‘Op zolder.’
‘Op zolder?’
‘Ja, dat is mijn werkterrein.’ Ik ren naar boven, vraag me af wat hij met zoveel boeken wil, en kom met de doos recensie-exemplaren weer beneden.
‘Mooie tafel,’ zegt hij.
‘Ja, een pastoe, gekregen van een oude vriendin van mijn moeder.’ Die tafel gaat ook nooit weg. Het is een speciaal ontwerp, uit de jaren twintig/dertig. Daar waar de kinderen zitten, schemeren boodschappenlijstjes en vorktekeningen door in de gele lak. Hoe vaak ik ook roep: ‘Jongens, leg er iets onder als je aan tafel schrijft!’
De fotograaf waaiert de boeken rechtop over tafel uit en legt er een paar plat. Als een bouwvakker moet ik mijn arm om de boeken heenslaan. Liever heb ik een ingetogen, bescheiden portretje maar ik durf niet te protesteren. Thuis laat ik de huistekenaar altijd portretjes maken. Zo ook voor de omslag. Dan kan ik zeuren over; mijn kop die te bol belicht wordt, mijn samengeknepen ogen die me op een inuit doen lijken of een lach als die van een boer met kiespijn, maar nu moet ik het met een paar knippen doen op hoop van goede zegen. Ik denk dat ik er op sta als een bouwvakker die van plan is om met een stapel boeken een muurtje te gaan metselen. Van mijn mooi gebloemde rok is niets te zien.
De dame die me interviewt is vriendelijk en beschaafd. Ze heeft het boek gelezen en stelt de juiste vragen. Ik zet een kopje bloementhee en ga van babbeldebabbeldebabbel en ben doodsbenauwd over wat er straks van al dat gebabbeldebabbeldebabbel samengesteld gaat worden.
‘Mag ik het voor publicatie nog inzien?’ vraag ik als ze gaat.
‘Dat mag. Maar alleen op feitelijke onjuistheden.’
Ze vraagt of ik beroemd wil worden. Tegenwoordig is dat een vak op zich geloof ik. ‘Liever niet,’ antwoord ik. Ik ben zo slecht in interviews.


0 Reacties tot “Interview”