Archief voor juli 2008

Novellende

Ze overhandigt me een boek met de woorden: ’Afgedankt door de bibliotheek, ik denk dat je het wel mooi zult vinden.’ Het is een uit Kroatisch vertaald boek van Slavenka Drakulic over de Joegoslavische burgeroorlog. Het hoofdpersonage, een Bosnische moslim onderwijzeres, komt in een Servisch vrouwenkamp terecht en moet daar de ‘hoer’ van haar beul spelen uit lijfsbehoud. 

De geefster weet dat ik aan het schrijven ben over een bordeel in de negentiende eeuw en heeft in het boek geschreven; Voor Inge, “voorbereidingsboek” over prostitutie/relaties voor je novelle, liefs, M.  Het leest als een boek over een concentratiekamp uit WO II. De tot prostitutie gedwongen vrouwen zijn overgeleverd aan wrede verkrachtingen, vernederingen, marteling en moord en zijn getuige van hoe de -hun- mannen, vaders en zonen in het nabij gelegen mannenkamp gefusilleerd worden. In Alsof ik er niet ben, wordt al het gevoel stilgelegd, terwijl in het verhaal waar ik aan bezig ben het gevoel letterlijk en figuurlijk bloot moet komen te liggen. Alsof ik er niet ben is een aangrijpend verhaal. Je vergeet de fictie. Het is echt. Het proza van Drakulic benadert rakelings de werkelijkheid waardoor het haast als onwerkelijk leest. Hoe mensen bij de beesten af ontmenselijkt kunnen worden. Toch behoudt het mentaal sterke hoofdpersonage nog iets van zichzelf en dat redt haar.

Vanmorgen schreef ik een stuk af dat ik de avond daarvoor had opgezet. Ik surfde naar abortussen in de negentiende eeuw, sanitair, wasvrouwen en stuitte op kindermoord  en nog meer narigheid. Waarom daar over willen schrijven?

Als tiener heb ik een lange periode alleen maar boeken over WO II gelezen. Ik las ook een periode uitsluitend over drugs, het uitzichtloze bestaan van Christiane F  maakte indertijd veel indruk. Altijd maar over ellende. Op de een of andere manier heb ik niets met humoristische boeken. Dat is ook weer niet helemaal waar. Ik ben dol op taalgrapjes, dubbele betekenissen en lach graag en veel en ook om geschreven stukken. Maar schrijven wil ik het schijnbaar niet. Een vage kennis die Zon in het haar  gelezen had, mailde mij dat hij de humor miste. Naast het feit dat ik ook geen vrolijk boek heb willen schrijven had hij als hij het goed gelezen had zijn mond regelmatig in een glimlach kunnen plooien, een schaterlach schenk ik wel live bij de thee.

Het spinnen van de Siamees

Ze heeft een prachtig vrijstaand huis met een paleistuin maar het is haar Siamees die mijn aandacht trekt. In de kleur van de Savanne loopt hij als een geslonken leeuw achter ons aan. Zij wijst me op haar walnootboom die door de eekhoorns wordt leeg gegeten. Maar dat vindt ze niet erg. Net zoals het haar niet hindert dat de vogels haar fruitbomen plunderen. Ik ben in Brabant. Gisteren bezocht ik in Bergen op Zoom een oude vriendin in haar nieuwe jaren vijftig flat die met problemen in het trappenhuis kampt. Wie vult de emmers sop voor de bevuilde treden? En nu kom ik bij een nieuwe vriendin die de kramp in de kuiten fietst om haar land te besproeien. Ze lacht om onze bijna blind date.  ‘Je lijkt niet op je foto’s,’ zegt ze. Zij wel. Ik lijk nooit. Maar ik wil nergens op lijken. Lijken zijn dood.

De inrichting is mooi van eenvoud. Op het parket staat een Chinese bruidskast en de ramen vanaf de vloer halen de bebossing binnen. De ruimte is oneindig. Beiden houden we van stilte, is de wereld om ons heen vaak te druk, maar met z’n tweetjes lukt zwijgen niet. Het is alsof we jaren willen inhalen. Seizoen na seizoen. Zoveel te vertellen. Te herkennen. Ook tegenstellingen: Haar haren zijn gehuld in herfst, donker als kastanje terwijl langs mijn gezicht de zomer valt in strengen droog gemaaid gras. Donkere ogen prikken mij in het blauw. Ik kan mij niet verbergen.

’s Avonds rijden we in haar Dafje naar België. Op zijn buik schuift hij over de grens. Ik zeg wat zij denkt: ‘Het oogt hier gelijk zo triest,’ en we beginnen over Tsjechische hoertjes die we afzonderlijk zagen bij een andere grens en hoe koud gekleed ze waren in de sneeuw en hoe verdrietig we dat vonden. In een restaurant bestel ik geschroeide tonijn en gespietste scampi’s vanwege de woorden die me in andere tijden doen plaatsen en verwonder me opnieuw over hoe vertrouwd nieuwe ontmoetingen kunnen zijn en we zeggen dat we vast eerdere levens hebben gedeeld in Pompei of Egypte of gewoon in België in zo’n straat waarbij je achter iedere huisdeur een strop verwacht.

Weer thuis krijg ik een mail. Tijdens het schoonmaken van haar autootje vond ze een lange witte haar. En zo spint de Siamees en weeft de spin met een lange witte draad levens samen. En wij maar denken dat we het zelf doen.

Appeldiefjes

Ik loop met de oude hond langs het voetbalveldje, met even verderop de ponypaarden, als vijf jongetjes uit de bosjes schieten. Ze hebben kleine appeltjes bij zich, waar ze gretig van eten, en komen om mij en het hondje heen staan. ‘Weten jullie zeker dat het geen sierappeltjes zijn?’ vraag ik.

‘We plukken ze altijd daarzo bij het bruggetje!’ zegt de langste van het stel en hij wijst richting flats.

‘Wat zijn sierappeltjes?’

‘Sierappeltjes kun je niet eten. Die zitten voor de sier aan een boom. Ze zijn giftig.’

‘Ga je dan dood?’

‘Je kunt er buikpijn van krijgen.’

‘Ik eet ze altijd!’

‘Nou, jullie leven nog, dan zal het wel goed zijn.’

‘Wilt u ook een appeltje?’ Een jongetje met gitzwart haar en een brilletje vist een klein groen appeltje uit zijn broekzak op.

‘Dank je, maar liever niet, straks val ik als Sneeuwwitje achterover!’ Zelf vertrouw ik de appeltjes niet helemaal en zeker mijn maag niet. Dan gaat hun aandacht uit naar de hond. Ze willen de viervoeter appeltjes voeren maar de hond heeft houtjes gevonden die beter smaken. Rustig aaien ze om beurt het beest en ik leg uit dat de hond bijna blind is. Dat ze daarom af en toe schrikt van een hand voor de kop. Ze is immers al vijftien jaar.

‘Goh, dat is oud! Dan is ze eigenlijk al honderdenvijf,’ zegt een slimmerik.

‘Is het een meisje?’ vraagt een ander.

‘Ja, het is een teefje.’

‘Wilt u haar ruilen voor een paar appeltjes?’ Ik schiet in de lach. Onwillekeurig moet ik denken aan een Noord-Afrikaanse markt waar een vrouw voor een paar kamelen wordt verhandeld. Ben je een oude teef, ben je niet meer waard dan een hand vol zure appels.

‘Nee, ik ben teveel aan haar gehecht. En ze is al oud. Ze wil helemaal niet meer met jullie spelen.’ Ze vertellen me nog waar ze twee zwanen hebben zien zwemmen die hun stok -een oude tafelpoot- weer naar de kant hebben gebracht en dan zeg ik dat ik er weer van doorga. ‘Dag mannen!’

Ze zwaaien en eentje roept me na:

‘Dat is toch een Bullterrier?’ Ik kijk naar mijn stoffige Maltezer die langzaam vooruit sjokt.

‘Nee, het is een Maltezer. Een Bullterrier is een heel stoer hondje!’

En daarom ben ik zo gek op jongetjes van een jaar of zeven. Van die tijdloze jongetjes, die nog gewoon appeltjes jatten en een Maltezer voor een Bullterrier aanzien.

Zoeken

Ik heb er dertig uitgezocht. En altijd weer die twijfel. Over een zin, een woord of over alles. Wat is een gedicht? Waar ligt de grens tussen Candle-light gekreun en een verstaanbaar gedicht? Het balanceren tussen kunst en kitsch is even moeilijk als *met je kop op de keukentafel staan en het dan nog niet goed zien.

Maangodin

Zij baarde
uit water en aarde
tussen zon en
dageraad in
paarlemoer

Donker
verlichtte
‘t vrouwelijk
gezicht,
wekte
slaap
tot leven

En
Endymion
merkte
niks

Zonde.

Aan de dijk gezet

Slenterend langs de slaperdijk
onderscheidt zich zeewaarts de waker

Hij wacht op water en zij op niets
geen dijk geen weg geen later

Ver van kering, dicht bij wering
met vrij uitzicht op aflopend hogerop,
loopt oud meisje van de slaper
voor de bisamrat uit in een strop.

*De vader van mijn moeder kon dit overigens erg goed (na een slok)

Vuurspuwend Draak(je)

Draak is voor negen dagen thuis. Op maandag zet ik hem voor een film en vlecht zijn haren. Zijn broer Rat kampeert op Texel. Het weekend duurt al vier en een halve dag. Het is voor het eerst sinds tien maanden dat Draak zo lang achtereen weer thuis is.

Zo één op één en sinds de medicatie is het goed te doen. Hij is veranderd. Enorm vooruit gegaan sinds het messen zwaaien. Maar een hoop blijft ook hetzelfde. Na een middag van veelvuldig opvliegen en vloeken leg ik hem op de massage-tafel. Ik zie dat zijn tengere lijf gespierder is geworden. Soms lijkt hij een kleuter en dan ineens weer acht. Maar het lijf groeit door.

Draak is een mooi kind. Zijn huid is zacht en diepbruin. Grote ogen en prachtig haar. Met geurende olie strijk ik rust via zijn rug naar de tenen. Hij giechelt. Het kriebelt. En ineens hebben we het over zijn moeder. Zijn echte moeder. Ik moet denken aan de dag daarvoor. Ik dacht dat hij het gas hoger had gedraaid waardoor de aardappels waren verbrand…maar twijfelde…zou ik ‘t zelf hebben gedaan? 

‘Dat jij je eigen kind niet vertrouwt!’ riep hij boos.

Ik beschuldigde hem niet. Maar vroeg of hij het soms gedaan had. Eigenlijk gaf hij me een groot compliment.

Alsnog aanstellen

Op veertienjarige leeftijd mocht ik niet van pa naar Doe Maar, maar moest het met de bij elkaar *gepelde lp’s en postertjes uit de Tina doen. Ik herinner mij een polsbandje dat ik een zomer lang droeg maar de gekte is aan mij voorbij gegaan. De huilende meiden vond ik raar. Flauwvallen nog gekker. Ik lag op mijn bed, zoals een puber overdag behoort te doen, en draaide de platen grijs. Ging mee in de melancholiek of in de humor. De liedjes waren gedichten, proza, bezaten melancholiek of gein. Ik hield gewoon van de liedjes. Het gevoel werd mooi in woorden gevat. En met de juiste muziek daaronder spreekt dat voor zich. Doe Maar -gewoon- fan dus zonder ldvd toen ze ermee stopten. Ik luisterde onderhand toch ook al naar The Cure en New Order. Toch ben ik ze altijd blijven draaien.

Op 2 juli heb ik de schade ingehaald door als veertigjarig meisje al de teksten mee te bléren (die staan op een soort van harde schijf in mijn kop) en wild te springen op de Nederpop. Alsnog even aanstellen. Dat mag als je veertig bent. Dan ben je de schaamte voorbij.

In de hal van de HMH stond mijn uitgever. Die geeft naast Ernst Jansz ook een fotoboek (met tekst van Joost Belinfante) van Doe Maar uit (Doe Maar. Lijf aan lijf. Een terugblik) en een boek van veertig jaar C.C.C. Inc! 

*Bollen pellen

Spinterview

Ik loop naar de voordeur om deze te openen. De stoer uitziende interviewster, van een vrouwenmagazine, blijft voor de drempel dralen. Ik verberg geen pitbull onder mijn rok en boezem bij de meeste mensen geen angst in.

‘Kun je die spin even weghalen?’  klinkt het kleintjes.

Ik kijk naar beneden, omhoog en opzij, maar zie niets harigs kruipen. Ik verwacht op zijn minst iets zwarts ter grootte van een eurocent. Dan wijst ze ter hoogte van mijn middel en zie ik een piepklein spinnetje aan een ragfijn draadje in de deuropening hangen. In een zwaai vangt mijn rechterhand de geleedpotige, met de omvang van een luciferskop, om via de achterdeur de tuin in te werpen. Zo, mijn heldendaad is verricht. De interviewster stapt mijn halletje in en bukt zich om de hond een aai te geven. Als je zo met je zwakte bij iemand binnen durft te komen moet je wel heel sterk zijn.

Mestmasker

Als je schrijft aan een historische novelle stuit je op wonderlijke informatie. Ik wil wat meer weten over make-up gebruik in de negentiende eeuw en kom zo terecht bij make-up in de middeleeuwen  op een site van Enkhuizen 650 jaar. Er wordt een vroegere periode beschreven dan waar ik naar op zoek ben maar misschien zijn sommige ‘producten’ langer in gebruik gebleven.

Ik vind de informatie zeer de moeite waard ook al kan ik het niet gebruiken. Wat hebben vrouwen toch in de loop der eeuwen geknoeid met huid en haar en voor wie? Zichzelf? In die periode gaven de meeste mannen de voorkeur aan puur natuur, volgens mij geldt dat ook voor de 21ste eeuw. Maar die opmerking van mij is behoorlijk ouderwets. Want als vrouw maak je je mooi voor jezelf en niet voor de mannen. Toch?  

Dan lees ik over hoe men in de middeleeuwen allergieën en huidkwalen te lijf ging en schiet in de lach:

Ik citeer van die site het volgende:

Het gevolg van het gebruik van al deze (soms dus zelfs giftige) middelen was natuurlijk allerlei allergieën en huidkwalen. Het is leuk om eens een oud recept te lezen die deze kwalen zouden kunnen verhelpen: Meng asperge wortels, wilde anijs en de bollen van witte Leliën in ezelinnen- en geitenmelk. Laat dit mengsel een tijd staan in warme paardenstront. Hierna moet het gefilterd worden door een linnen lap en daarna is deze heilzame crème voor gebruik gereed.

De dame moest daarna haar gezicht insmeren met stukjes witbrood, gedoopt in dit mengsel. Het voorschrift raadde aan het er zo lang te laten opzitten als de tijd die nodig is om drie keer de Twaalf geboden op te zeggen. Rouge voor de wangen werd in eerste instantie ook alleen door prostituees gebruikt. Maar later in de vijftiende eeuw werd deze gewoonte eveneens overgenomen door de dames uit de high society die hun wangen en ook hun lippen rood maakten.

bron citaat

Cleansing lotion voor de beschadigde huid op basis van verse paardenstront. Zou het iets voor De tuinen zijn? Ze verkopen immers ook slakkenslijm. In hoeverre is de cosmetica erop vooruit gegaan?