Archief voor augustus 2008

De boze bunker

De Boze Bunker is naar het ziekenhuis verkast. Nooit eerder zag ik iemand met zo’n donkere aura-rand. Nooit eerder trof ik iemand waar de goede zijde onvindbaar bleef. Alleen maar een oorlogsbunker die vermomd als bulldozer uit jaloezie een ieder die haar -te vrolijk- voor de voeten liep verpletterde. 

Als kind was ik bang voor de Bunker. Zo zat ik een keer achter de in jurk gehulde brok steen in de auto. We waren op weg voor mijn verjaardagscadeau. Ongewild kinderloos, maar afgewezen voor adoptie (Bunker wilde uitsluitend een blank kind om voor te kunnen liegen), ontvoerde ze mij en mijn zus om beurten om in een andere stad ons een duur cadeau te laten uitkiezen. Had ze maar geweten dat een welgemeende glimlach veel meer waarde heeft.

Mijn lieve God, wat wenste ik mijn kleine blonde moedertje naast me. Ik weet nog goed hoe ik in de speelgoedwinkel de Happy family uitkoos. Mijn intuïtie koos voor het juist getinte stukje speelgoed. Ik bedankte beleefd maar wist wat ze van mij verlangde. Ik moest spelen dat ik haar dochter was. In die andere stad kende niemand ons. Ze zouden denken: Kijk die mevrouw eens leuk met haar kleine meid winkelen! Ik moest haar liever dan mijn eigen moeder vinden. Maar ik had al de liefste moeder van de hele wereld en liep verkrampt naast een vent-van-een-vrouw waar ik doodsbenauwd voor was. Mijn moeder was zacht en warm, met een stem die je deed geloven dat alles altijd goed kwam. De Bunker blafte schor en deed alleen lollig als je haar d’r zin gaf.

Het enige leuke aan bezoekjes bij haar vond ik de jonge katjes die er om de zoveel tijd waren. Dan kroop ik in een hoek en vermaakte me eindeloos met de speelse kittens. Totdat ik hoorde dat mijn oom een teveel aan jonge katjes levend verzoop in de sloot achter de Bunker. Toen vond ik helemaal niets meer leuk aan de verplichte visites: De somberheid in het huis: De gemaakte vrolijkheid: Gespeelde vriendelijkheid: De brokstukken van de Bunker bedolven mij bij ieder bezoek.

Toch heb ik nog lange tijd het lieve nichtje gespeeld. Ook toen ik al een vrouw was. Totdat er gemene leugens over mij verspreid werden. Toen gooide ik een denkbeeldige granaat in de bunker en blies mijn angst op. Wat een opluchting. Nooit hoefde ik meer op mijn woorden te letten. Nooit meer op mijn tenen lopen om haar boosheid voor te zijn. Nooit meer lief spelen. Loslaten kan heel lekker zijn.

Nu ligt de Bunker met kapot gezopen lever en nieren in het ziekenhuis. Ik gun dat niemand. Ook niet als iemand zich uit eigen beweging kapot gezopen, gebunkerd en verzuurd heeft. Maar ik voel niks. Helemaal niets. Ik denk alleen maar aan hoeveel mensen er door haar verpletterd zijn en hoe weinig er daardoor over zijn gebleven en hoe eenzaam ze zal sterven. Ik verwacht aan de hemelpoort allemaal blazende kittens waar ze angstig overheen moet stappen terwijl Petrus haar een bruine baby tegen de enorme boezem duwt die ze tot in de oneindigheid liefdevol moet zogen.

Huisbuik

Op zoek naar dokters-instrumenten, die men in de negentiende eeuw gebruikte, stuit ik op opmerkelijke medische gedachtegangen uit het verleden:

 In de negentiende eeuw was de kindersterfte hoog in de leeftijdsgroep van zes maanden tot twee jaar. Toevallig breken in deze periode ook de melktandjes door. De logica uit die tijd: Zuigelingen stierven vanwege het doorbreken van het melkgebit. Hoe dacht men dit te verhelpen? Door het verbranden of flink laten bloeden van het tandvlees. De Franse chirurgijn Ambroise Paré bedacht het doorboren van het tandvlees bij baby’s met een lancet. De bron vermeldt: Sommige baby’s werden wel tien keer met het lancet bewerkt in een poging ze stil te krijgen. Stil krijgen als het tandvlees aan flarden wordt gesneden?

bron: Uit de oude dokterstas

Mijn boek in wording speelt zich af in de negentiende eeuw, maar ga je eenmaal graven in de geschiedenis kom je ook uit andere eeuwen weetjes tegen die aardig zijn om te delen. Wat te denken van de Middeleeuwse overtuiging dat de baarmoeder uit zeven kamers bestond? Jongens werden in de drie rechterkamers verwekt, meisjes in de drie linkerkamers en in de middelste kamer ontstond een homoseksueel of hermafrodiet. Zeven kamers….dat is een heel poppenhuis in je buik. Wel een mooi gegeven als je aan een verhaal over de Middeleeuwen schrijft.

bron: Van magie tot Echografie

Poezie in het park (2)

Het schrijven aan een gedicht vraagt iets anders dan proza. Bij proza kan ik instappen in het verhaal en gewoon een poosje aan ‘het werk gaan’.  Dichten kan ik minder in opgelegde vorm. Daarom schrijf ik eigenlijk nooit poëzie in opdracht. Simpelweg omdat ik dat niet goed kan. 

Pas als een zin zeurderig in mijn hoofd blijft zingen, ga ik zitten om vanuit die zin een gedicht te starten. In het eindresultaat kan die zin geheel of ten dele verdwenen zijn maar hij is wel de aanzet geweest. Een eerste zin is dus van levensbelang voor het doen ontstaan van een gedicht.

Om wat voorbeelden te noemen: Slenterend langs de slaperdijk/Blauw voor de ramen/Papaja op papier/Vissen vliegen vogels na…..

Bij Poëzie in het park krijg je een zin aangereikt. De inspiratiebron ontstaat dus vanuit een ander. Veel van die regels zijn eerste ingevingen. Zo worden er zinnen onder de dichters verdeeld als: Een haring houdt je gezond, Een dichter zonder inspiratie, Ik heb vertrouwen in een ander zolang hij zijn vertrouwen schenkt, Mijn gezellige geboortegrond Sloten of een zin (?) als Zittend bij de molensteen, van T-shirts kleden maken, voor borstkankeronderzoek. Nu ben ik van mening dat je overal iets van kunt maken…maar toch….een wankele zin kan een heel gedicht uit balans doen raken. Zeker als die zin de ruggengraat van het gedicht moet zijn.

Daar komt bij dat het gedicht niet kan rijpen. Op dinsdag krijg je een regel en voor vrijdagmiddag moet daar een gedicht van zijn gemaakt. Gewoonlijk schrijf ik eerst een opzet. Schrap, schaaf en sleutel. Sommige gedichten vind ik pas na een jaar of twee klaar, in zoverre voor mij een gedicht ooit klaar kan zijn. Soms denk ik dat een gedicht klopt maar zie na een jaar dat de slotregel toch anders moet of dat het hele gedicht alsnog in de prullenbak kan, om maar iets te noemen. Dichten is mierenneuken.

Ik vraag mij dus af of deze speelse opzet van Poëzie in het park goede gedichten kan opleveren. Of anders gezegd: Kunnen dichters hun eigen kunnen voldoende tonen? Een uitdaging is het zeker.

Afgelopen dinsdag kreeg ik mijn regel voor Osdorp/Sloten: De straat loopt vol, de swing zit er in.  Ik maak uit deze regel op dat de bedenkers (het waren er twee) waarschijnlijk een gedicht over een vrolijk straatfeest voor ogen hebben. Vol met ritme en rijm. Maar voor mij geen polonaise aan de poëzie. Ik moet proberen om een zin die me te veel ‘huppelt’ om te buigen naar iets waar ik mee uit de voeten kan. Ik weet niet of dat me gelukt is:

Meisje uit Sloten

Dagen sterven in avondrood
bij kousenband aan de kim

De straat loopt vol, leegt
het zwart van kraaien
nooit eerder zag zij zo wit

Stenen stelpen bloeden niet
de lambada sterft in swing

Zo kort-het leven-de rok

Zestien pirouettes lang
droegen haar benen het bal
nu draagt het licht haar later.

De boomman


foto: Ingmar Hof  29-09-96

Toen het leven mij nog lief toe lachte, keek ik vanuit mijn slaapkamerraam uit op twee knoestige mannenbenen die mooi geproportioneerd de weg naar de hemel wezen. Daar kon je nog eens fijn op in slaap vallen. Deze onderdanen bewoonden in de kracht van hun leven de hoge wilg in mijn voortuin. Vanaf de eerste verdieping lokten zij mij, licht gespreid en heel uitdagend, naar het open raam. Okay, wel ondersteboven in een heel wonderlijk standje maar een dagdromer doet daar niet moeilijk over. Kneep ik mijn ogen tot spleetjes, sprak de verdikking tussen beide stammen tot de verbeelding. De zacht bemoste schaamstreek deed de boomman nog beter aarden in mijn fantasie.

Afgelopen vrijdag moest van de buurman mijn boomman er aan geloven. Zijn linkerbeen werd tot aan de lies geamputeerd. De huistekenaar had zijn minder fraaie benen om de stam geslingerd en zaagde wreed mijn droombeeld in twee. Zouden beide mannen onzeker zijn geworden vanwege het uitzicht op twee benen waarbij hun eigen staken schril afsteken? Vanmiddag veegde ik de  laatste been boomresten op en durfde niet omhoog te kijken.

Als ik nu ’s avonds de gordijnen sluit, meen ik in het donker een zachte snik te kunnen ontwaren en werp  een verontschuldigend kushandje naar de schaduw voor mijn raam.

Ongeschreven regel

Een vriendin mailde me de link  Studio hergebruik door, toen we het hadden over het ontstaan van een gedicht. Hergedichten wordt het genoemd, ik noem het gewoon jatten.

Toen ik nog les gaf op de basisschool heb ik eens een lessenreeks gedichten maken ontwikkeld. Er zijn tal van manieren om eigen, unieke regels te doen ontstaan. De kinderen waren er goed in. 

Een beetje met viltstift krassen in een zogenaamd geredde dichtbundel vind ik heiligschennis. Op zich vind ik hergebruik prima, maar dat doe je niet met de gepubliceerde gedichten van een ander. Dat is een ongeschreven regel.

Poezie in het park

Poezie in het park. Na mijn radio-gesprek op donderdag 14 augustus vroeg de daar aanwezige Mick Witteveen of ik een gedicht wilde schrijven -op kort termijn- voor het Westerpark. Vandaag kreeg ik mijn dichtregel: Ik sta in de regen te dichten. De regels zijn door acteurs en/of omwonenden bedacht en iedere dichter die meedoet aan het project krijgt een regel toegewezen waarvan een gedicht moet worden gemaakt.

update 20 augustus:

Onderstaand gedicht heb ik om de regel heen gemaakt. Zondag 24 augustus hangt het gedicht tussen andere gedichten in het Amsterdamse Westerpark:

Regenbui

Geen mens die zal zien hoe
deze windvangers in de mouwen
niets hebben om aan vast te houden

Door het nylon lekt de zomer
alleen een dromer ziet de zon

Tussen kap-in-kraag gezichten
sta ik in de regen te dichten
over onzin en zo meer

Ik schrijf mij op in jouw gedachten
kijk me lachen, het doet zeer.

Blinde vlek

‘Gaat u maar lig…uh zitten,’ zegt de stagaire en wijst naar de zwarte stoel. Hij houdt zeker van blauwe ogen. Mijn linkeroog van -8 leest zonder glaasje geen letter. Maar al vanaf mijn vierde kijk ik op rechts. Na braaf enkele letters van het alfabet te hebben gelezen, druppelt hij mijn ogen om de pupillen te vergroten. De procedure is mij bekend. Met een felle lamp schijnt hij van vlakbij in mijn rechteroog en moet ik naar een oor kijken dat ik niet kan zien. Het is alsof ik met open oog in de zon kijk. Ik mag niet knipperen. Omdat hij nog aan het leren is, duurt het verdomde lang. Mijn oog wil dicht. Ik word misselijk en zet kracht om mijn oogleden geopend te houden. ‘Blijf kijken’, zegt hij streng. ‘Als je zo draait met je oog, zie ik niks!’  Ik merk niet eens dat ik draai met mijn oog. Het is onnatuurlijk om in het licht te kijken. Reflexen doen mijn wimpers fladderen.  En dan is mijn linkeroog aan de beurt. Als beide ogen bekeken zijn, komt zijn mentor binnenlopen. ‘Ik zie iets in links,’ zegt de stagaire. Zij moet hem nakijken. Dus nog een keer staan mijn ogen in de schijnwerpers.  Na 27 jaar is er een lichte beschadiging te zien in mijn linkeroog. Jammer vind ik het. Gelukkig is het alleen in links. Daar zie ik toch al geen moer mee.

Even later bij de internist is mijn HbA1c nog steeds aan de hoge kant. Ik weet hoe het komt. Niet door een teveel aan eten of door een te weinig aan bewegen. Het komt door langdurige onderhuidse spanning. Daar vliegt mijn bloedsuiker van omhoog. Wat kan ik er aan doen? Rustig blijven. De kalmte zelf gedurende het weekend offensief.

Marianne Notschaele-den Boer

Marianne leest anders. Als reïncarnatie-therapeute leest ze andere levens tussen de regels door. Mijn debuut Zon in het haar gaat over reïncarnatie ook al kun je het eveneens los daarvan lezen. Maar het boek trok de aandacht van Marianne vanwege het reïncarnatie-element in combinatie met de Navajo’s. Op haar website vorigelevens.nl legt zij bij: Jeugdherinneringen aan Noord Amerikaanse indianen een mooi verband met mijn boek. Dit doet ze ook over Het wachthuis met daarbij twee mooie verhalen van Jacqueline Troost die tot nadenken stemmen.

Kort nieuws

*Op donderdag 14 augustus is de herkansing voor de radio.

*Vanmorgen zag ik in een parkbankje een gehurkte man. Thuis werd ik er om uitgelachen. Toch kwam ik nuchter van het ziekenhuis-lab af fietsen. Mijn linkeroog gaat zienderogen achteruit.

*De manier om vervelende telefoonverkopers kort te sluiten kost je slechts één zin: Het mag niet van mijn man! Je kunt honderden onderbouwde redenen te berde brengen over waarom je een produkt niet wenst maar alleen bij deze zin accepteren ze een nee zonder verdere uitleg. De emancipatie ten spijt.

waterkip

Hij zat ineengedoken in het gras, de vleugels als een zwarte mantel om zich heen geslagen, als een oude zwerver die het niet meer weet. Ik hurkte me tot vlak boven de waterkip en toen hij moeizaam opzij hipte, sleepte hij een slap pootje met zich mee. Gebroken, dacht ik. In de verte naderden twee rottweilers. Wat zou ik doen? De natuur de natuur laten of ingrijpen? Ik besloot tot het laatste. Al die  goed gevoerde honden behoefden geen prooi, ze zouden zich enkel maar met het weerloze dier vermaken.  

Ik liep terug naar huis en haalde een kartonnen doos om de uitgeputte meerkoet in te doen. Met één hand hield ik de zwemvogel tegen. Hij voelde warm en zacht aan. Even fladderde hij op maar al snel gaf hij zich over en bleef rustig liggen. Ik keek naar het zwarte kopje met het witte voorhoofdschild. Ik droeg eenzelfde verenkleed; een zwart shirt met in de V-hals een snavelpuntje hemd.

Als tienjarig meisje ving ik met mijn blote handen een ondervoede muis. Daar was mijn vader niet blij mee. Ik heb het dier twee jaar in een bak gehouden. Een gewonde spreeuw ving ik samen met mijn nichtje. Daar was mijn oom niet blij mee. 

Ik bedacht me…ik bekommer me om een meerkoet. Hoeveel mensen liggen er op dit moment niet ergens te creperen? Maar toch…begint het niet hier? Als kind een gewond dier zien en je daar druk over maken. Dat kind woont nog steeds in mij en de vrouw daar omheen kijkt wel verder.

De vogelopvang heeft zich inmiddels over het beestje ontfermd.

Volgende Pagina »