Hij zat ineengedoken in het gras, de vleugels als een zwarte mantel om zich heen geslagen, als een oude zwerver die het niet meer weet. Ik hurkte me tot vlak boven de waterkip en toen hij moeizaam opzij hipte, sleepte hij een slap pootje met zich mee. Gebroken, dacht ik. In de verte naderden twee rottweilers. Wat zou ik doen? De natuur de natuur laten of ingrijpen? Ik besloot tot het laatste. Al die goed gevoerde honden behoefden geen prooi, ze zouden zich enkel maar met het weerloze dier vermaken.
Ik liep terug naar huis en haalde een kartonnen doos om de uitgeputte meerkoet in te doen. Met één hand hield ik de zwemvogel tegen. Hij voelde warm en zacht aan. Even fladderde hij op maar al snel gaf hij zich over en bleef rustig liggen. Ik keek naar het zwarte kopje met het witte voorhoofdschild. Ik droeg eenzelfde verenkleed; een zwart shirt met in de V-hals een snavelpuntje hemd.
Als tienjarig meisje ving ik met mijn blote handen een ondervoede muis. Daar was mijn vader niet blij mee. Ik heb het dier twee jaar in een bak gehouden. Een gewonde spreeuw ving ik samen met mijn nichtje. Daar was mijn oom niet blij mee.
Ik bedacht me…ik bekommer me om een meerkoet. Hoeveel mensen liggen er op dit moment niet ergens te creperen? Maar toch…begint het niet hier? Als kind een gewond dier zien en je daar druk over maken. Dat kind woont nog steeds in mij en de vrouw daar omheen kijkt wel verder.
De vogelopvang heeft zich inmiddels over het beestje ontfermd.



Recente reacties