Het schrijven aan een gedicht vraagt iets anders dan proza. Bij proza kan ik instappen in het verhaal en gewoon een poosje aan ‘het werk gaan’. Dichten kan ik minder in opgelegde vorm. Daarom schrijf ik eigenlijk nooit poëzie in opdracht. Simpelweg omdat ik dat niet goed kan.
Pas als een zin zeurderig in mijn hoofd blijft zingen, ga ik zitten om vanuit die zin een gedicht te starten. In het eindresultaat kan die zin geheel of ten dele verdwenen zijn maar hij is wel de aanzet geweest. Een eerste zin is dus van levensbelang voor het doen ontstaan van een gedicht.
Om wat voorbeelden te noemen: Slenterend langs de slaperdijk/Blauw voor de ramen/Papaja op papier/Vissen vliegen vogels na…..
Bij Poëzie in het park krijg je een zin aangereikt. De inspiratiebron ontstaat dus vanuit een ander. Veel van die regels zijn eerste ingevingen. Zo worden er zinnen onder de dichters verdeeld als: Een haring houdt je gezond, Een dichter zonder inspiratie, Ik heb vertrouwen in een ander zolang hij zijn vertrouwen schenkt, Mijn gezellige geboortegrond Sloten of een zin (?) als Zittend bij de molensteen, van T-shirts kleden maken, voor borstkankeronderzoek. Nu ben ik van mening dat je overal iets van kunt maken…maar toch….een wankele zin kan een heel gedicht uit balans doen raken. Zeker als die zin de ruggengraat van het gedicht moet zijn.
Daar komt bij dat het gedicht niet kan rijpen. Op dinsdag krijg je een regel en voor vrijdagmiddag moet daar een gedicht van zijn gemaakt. Gewoonlijk schrijf ik eerst een opzet. Schrap, schaaf en sleutel. Sommige gedichten vind ik pas na een jaar of twee klaar, in zoverre voor mij een gedicht ooit klaar kan zijn. Soms denk ik dat een gedicht klopt maar zie na een jaar dat de slotregel toch anders moet of dat het hele gedicht alsnog in de prullenbak kan, om maar iets te noemen. Dichten is mierenneuken.
Ik vraag mij dus af of deze speelse opzet van Poëzie in het park goede gedichten kan opleveren. Of anders gezegd: Kunnen dichters hun eigen kunnen voldoende tonen? Een uitdaging is het zeker.
Afgelopen dinsdag kreeg ik mijn regel voor Osdorp/Sloten: De straat loopt vol, de swing zit er in. Ik maak uit deze regel op dat de bedenkers (het waren er twee) waarschijnlijk een gedicht over een vrolijk straatfeest voor ogen hebben. Vol met ritme en rijm. Maar voor mij geen polonaise aan de poëzie. Ik moet proberen om een zin die me te veel ‘huppelt’ om te buigen naar iets waar ik mee uit de voeten kan. Ik weet niet of dat me gelukt is:
Meisje uit Sloten
Dagen sterven in avondrood
bij kousenband aan de kim
De straat loopt vol, leegt
het zwart van kraaien
nooit eerder zag zij zo wit
Stenen stelpen bloeden niet
de lambada sterft in swing
Zo kort-het leven-de rok
Zestien pirouettes lang
droegen haar benen het bal
nu draagt het licht haar later.


Recente reacties