Archief voor 31 augustus 2008

De boze bunker

De Boze Bunker is naar het ziekenhuis verkast. Nooit eerder zag ik iemand met zo’n donkere aura-rand. Nooit eerder trof ik iemand waar de goede zijde onvindbaar bleef. Alleen maar een oorlogsbunker die vermomd als bulldozer uit jaloezie een ieder die haar -te vrolijk- voor de voeten liep verpletterde. 

Als kind was ik bang voor de Bunker. Zo zat ik een keer achter de in jurk gehulde brok steen in de auto. We waren op weg voor mijn verjaardagscadeau. Ongewild kinderloos, maar afgewezen voor adoptie (Bunker wilde uitsluitend een blank kind om voor te kunnen liegen), ontvoerde ze mij en mijn zus om beurten om in een andere stad ons een duur cadeau te laten uitkiezen. Had ze maar geweten dat een welgemeende glimlach veel meer waarde heeft.

Mijn lieve God, wat wenste ik mijn kleine blonde moedertje naast me. Ik weet nog goed hoe ik in de speelgoedwinkel de Happy family uitkoos. Mijn intuïtie koos voor het juist getinte stukje speelgoed. Ik bedankte beleefd maar wist wat ze van mij verlangde. Ik moest spelen dat ik haar dochter was. In die andere stad kende niemand ons. Ze zouden denken: Kijk die mevrouw eens leuk met haar kleine meid winkelen! Ik moest haar liever dan mijn eigen moeder vinden. Maar ik had al de liefste moeder van de hele wereld en liep verkrampt naast een vent-van-een-vrouw waar ik doodsbenauwd voor was. Mijn moeder was zacht en warm, met een stem die je deed geloven dat alles altijd goed kwam. De Bunker blafte schor en deed alleen lollig als je haar d’r zin gaf.

Het enige leuke aan bezoekjes bij haar vond ik de jonge katjes die er om de zoveel tijd waren. Dan kroop ik in een hoek en vermaakte me eindeloos met de speelse kittens. Totdat ik hoorde dat mijn oom een teveel aan jonge katjes levend verzoop in de sloot achter de Bunker. Toen vond ik helemaal niets meer leuk aan de verplichte visites: De somberheid in het huis: De gemaakte vrolijkheid: Gespeelde vriendelijkheid: De brokstukken van de Bunker bedolven mij bij ieder bezoek.

Toch heb ik nog lange tijd het lieve nichtje gespeeld. Ook toen ik al een vrouw was. Totdat er gemene leugens over mij verspreid werden. Toen gooide ik een denkbeeldige granaat in de bunker en blies mijn angst op. Wat een opluchting. Nooit hoefde ik meer op mijn woorden te letten. Nooit meer op mijn tenen lopen om haar boosheid voor te zijn. Nooit meer lief spelen. Loslaten kan heel lekker zijn.

Nu ligt de Bunker met kapot gezopen lever en nieren in het ziekenhuis. Ik gun dat niemand. Ook niet als iemand zich uit eigen beweging kapot gezopen, gebunkerd en verzuurd heeft. Maar ik voel niks. Helemaal niets. Ik denk alleen maar aan hoeveel mensen er door haar verpletterd zijn en hoe weinig er daardoor over zijn gebleven en hoe eenzaam ze zal sterven. Ik verwacht aan de hemelpoort allemaal blazende kittens waar ze angstig overheen moet stappen terwijl Petrus haar een bruine baby tegen de enorme boezem duwt die ze tot in de oneindigheid liefdevol moet zogen.