Archief voor oktober 2008

Luchtfietserij

filmpje (gedicht): Luchtfietserij (regel aanklikken)

Bij het lichter maken van het filmpje (minder kB) neemt de kwaliteit van het beeld iets af. Daar ontkom ik niet aan. Kijk daar maar doorheen…het gaat tenslotte over de verBEELDing. Tip: Verklein het beeld tot de gewenste scherpte!

Onder ogen zien

Ik loop al twee keer langs de opticien en pas bij de derde keer zet ik mijn voet over de drempel. Het lijkt me prettig om tegen de avond een bril op te kunnen zetten. Naar alle waarschijnlijkheid ben ik daar te laat voor maar ik wil het nu met zekerheid weten. In de stellages hangen aardige monturen van vlinderachtig paars tot lentegroen of met de gelijkenis van geëpileerde wenkbrauwen boven enkelvoudige glas.

Ik leg aan de opticien uit dat mijn linkeroog bijziend (-8) is en dat daar ook beginnende retinopatie is vastgesteld. Ik krijg er geen hoofdpijn van maar het wordt wat nevelachtig op links. Sinds enige tijd ervaar ik mijn oog als een beslagen venster. Ik ben me er van bewust dat ik hoofdzakelijk kijk met rechts. De oogarts heeft me eerder al verteld dat mijn oog waarschijnlijk niets heeft aan een bril maar dat ik wel kan proberen of mijn oog nog op een contactlens reageert. Omdat ik me zonder bril goed kan redden heb ik daar nooit haast mee gemaakt. Maar vandaag moet het er maar eens van komen.

De opticien meet mijn oogdruk en bekijkt of mijn linkeroog nog mee wil kijken. Hij bedekt daarvoor mijn rechteroog en vraagt wat ik zie met links. Ik zie zwart. Het lijkt erop dat hij beide handen voor mijn ogen gedrukt houdt. In stilte stuur ik mijn luie linkeroog aan het werk en verschijnt met enige vertraging het beeld. Uit zichzelf staat het oog niet op scherp. Het kijkt een beetje ongeïnteresseerd mee. De hersenhelften werken niet goed samen.

‘Een bril heeft geen enkele zin,’ vertelt de aardige opticien. ’Daar word je tureluurs van want het beeld wordt links dan enorm verkleind. Maar als reserveoog is je oog niet eens zo slecht, ondanks de -8,25 heeft het voor 80% zicht.’ Ik vertel hem maar niets over mijn derde oog. 

Erg vind ik het niet. Ik heb toch geen brillenhoofd. En omdat ik een hekel heb aan iets op mijn neus draag ik zelfs geen zonnebril. Een lens lijkt me eveneens lastig. Verder heb ik nooit de ambitie gehad om piloot te willen worden. Mocht u mij in de verte aan zien komen en mij niet willen zien, passeer mij dan gewoon op links. 

*Dan zijn er nog mensen die slechts aan een kant bijziend zijn.  Zij kunnen met het ene oog ver en met het andere alles wat dichtbij is zeer scherp zien.  Wie met de daarmee verbonden problemen van het zogenaamd stereozien goed om kan gaan, heeft geluk.  Hij of zij heeft nooit een bril nodig.  Als er aan het gezichtsvermogen echter speciale eisen gesteld worden, wordt het moeilijk.

*Bron: Ben ik misschien bijziend?

Pauze-plaatje

 Even blogpauze. Ik moet schrijven.

Uit de pas

filmpje (gedicht): Uit de pas (regel aanklikken)

Om de zoveel tijd vraag ik mij af waarom er veelal zo vastgehouden lijkt te worden aan de veilige weg van A naar B als het om proza gaat. Iedere zin van een verhaal moet direct worden begrepen. Mag niet bezinken voor later.  Niet, zoals bij een gedicht wel mag, alleen een stemming oproepen terwijl de letterlijke betekenis je ontgaat.

Ik zou willen pleiten voor een leeservaring (in plaats van een boek louter te beoordelen op begrijpen). Op dezelfde manier zoals je naar een schilderij kijkt waar alles (nog) niet direct op zijn plaats valt.  Een boek zou moeten blijven hangen, niet aan de muur maar in je hoofd, om zo langzaam aan schoonheid te kunnen winnen. Fragmenten, geschreven kleurvlakken en textuur, als blauwdruk van een verhaal.

Is het niet zo dat de muziek die nooit verveelt (waarin je steeds iets nieuws ontdekt) pas na vele keren horen gewaardeerd wordt? Het is wennen bij de eerste keren beluisteren zodat je in het onzekere blijft over wat je er eigenlijk van vindt. De nieuwsgierigheid laat je keer op keer die cd opzetten om langzaam de muziek te leren begrijpen. Boeken worden zelden herlezen. Terwijl ze eveneens ritme, toon en melodie bevatten. Zonder onbevangenheid kun je eigenlijk niets over een boek zeggen.

Met name een dame

Het was een dag van water. Een vriendin stuurde mij drie vissen in een envelop. Twee dobberen er nu aan de ketting van mijn Zeeuwse oma Elizabeth (erfstukje), met wie ik het sterrenbeeld vissen deelde. Oma schreef vanuit haar jarenlange ziekbed het hoofd vol met avonturen die ik nu op mijn beurt voor haar op mag schrijven. Haar dagdromen erfde ik met de sieraden mee. Vanuit de hemel kijkt ze naar mijn geploeter hier op ‘t droge, dat valt niet mee als vis. Dit onverwachte geschenkje van vandaag, deed een lach doorbreken. Het regende wel, maar ik zag het niet.

In de namiddag liep ik met opgestoken paraplu en terneergeslagen hond door de regen. Een bejaarde buurman groette mij in het voorbijgaan en zei: ‘Wat een slecht weer he!’ Ik antwoordde met: ‘Ja, het is werkelijk hondenweer met name,’ en maakte nog net geen knie buiginkje.

Ik weet dat ik schrijf aan een verhaal dat zich afspeelt tussen 1863 -1874 en ’s avonds in bed Couperus tot me neem om de oude taal en de menschen dicht op de huid te houden maar om als figurant uit de negentiende eeuw me op straat te etaleren, is iets teveel van het goeie. De zin is overigens krom, het is spreektaal dus dat mag, maar ik schrok van de oubolligheid. ‘Ja, ‘t is zwaar klote,’ zou eigentijdser zijn. Maar dat zeg je niet tegen een vriendelijke heer van in de 80.

Gelukkig was daar thuis mijn oudste zoon die met zijn nieuwe mobiel de laatste (puber)popliedjes liet horen en mij van de schoonheid daarvan probeerde te overtuigen. Maar daar was ik -in zijn ogen- dan toch weer te ouderwets voor. Ik raakte lichtjes het blauwe steentje van oma’s ketting aan, de zilveren visjes tikten zacht tegen mijn vingers, en voelde me gelukkiger dan ooit nu ik in mezelf al de generaties voelde stromen.