
Ik trek de laatste dagen wat door Amerika. Niet per huifkar but in the spirit. Gisteravond (eigenlijk nacht) plakte ik op You Tube een hopeloos romantische film, die in losse scènes was verknipt, aan elkaar; Stolen woman captured heart, vanavond bekeek ik de reportage Louis and the nazi’s (kreeg de kriebels van het hinkeldansje uitgevoerd door twee elfjarige zusjes tussen een met zwart tape geplakt hakenkruis op een keukenvloer ergens in Californië) en las vanaf m’n laptop dat je mijn debuut gewoon van een New-Yorkse bieb kunt lenen. Jammer dat ‘t boek geen vertaling betreft, en hij het niet kan lezen, of moet ik daar maar blij om zijn? Het blijft heiligschennis; als blanke over Native Americans schrijven. Ook in fictie.
Op mijn eigen website schrijf ik dan ook over Zon in het haar:
Toch vond ik het voor Zon in het Haar wel wat lastiger. Indianen (excuses voor mijn generaliseren) verachten de blanke die schrijft over het indiaan zijn. Hier in Nederland speelt die discussie helemaal niet, maar in Amerika ligt dat erg gevoelig. Ik heb daarom lang nagedacht over de vorm. Uiteindelijk heb ik gekozen voor een blanke hoofdpersoon. In de eerste instantie lijkt dat op het laf omzeilen van een probleem. Maar een dergelijk uitgangspunt dwingt je ook om via een omtrekkende beweging op een geloofwaardige manier bij de indiaan (Navajo) uit te komen. Als het geraamte staat, zit juist in die beweging het vlees voor het verhaal. Ik heb even flink in mezelf moeten graven naar het geraamte. Vlees had ik genoeg.
Ik ben overigens wel van mening dat in fictie alles geoorloofd is. Een schrijver mag alles van wat er over de wereld rondloopt, kruipt of vliegt gebruiken om een verhaal te vertellen, onder iedere huid of berenvel kruipen. Zolang er maar over nagedacht is.

Recente reacties