-soms blog ik een droom-

Ze was drie turven hoog en liep over asgrauw beton door een park in aanleg. Op geschoeide voetjes stapte ze in een diagonaal door vlakken groen en vlakken grijs met staketsels doorsneden waarachter later exotische dieren zouden komen. Er waren al wel beren. Twee jonge beren dolden met elkaar onderaan een aflopend muurtje van cement dat overging in een kunstmatig aangelegd meer. Van een afstand volgde ik haar rode jurkje als een wapperende vlag op een schuit door drooggelegde kanalen.
Aan de andere kant van het meer bevond zich een groep volwassen Kodiakberen. Beren konden zwemmen. Als ze het meisje maar niet zagen. Ineens maakte ik haast om het kind in te halen. Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat ze Aziatische trekken had. Het steile, lichtbruine haar viel glad over de schouders. Ze trok zich niets van mij aan en vervolgde haar weg.
Toen tuimelde ze in het water. Ik dook er achteraan. De diepte van het meer benam me de adem. Ik schoot onder haar door en ze vloog als een papegaaiduiker mijn armen in. Ze leek op een pop, zo snel als ik kon zwom ik met het meisje omhoog om haar op de betonnen kade neer te kunnen leggen. Zonder een woord te spreken stond ze op en liep weg. Weg van het water. Weg van mij.
Waar was haar moeder?
Wat deed deze peuter op een kale bouwvlakte. Ik vroeg mij af waar ze vandaan kwam. Met wie ze meegekomen was. Ik verwonderde mij over haar droge kleding, het zijdezachte haar dat opwaaide in de zomerwind alsof ze niet zojuist in het water was gevallen. Alsof ik haar niet zojuist op het droge had gehaald. Voor een denkbeeldige ingang verschenen er een aantal mannen die zakelijke belangen bij het park-in-aanbouw hadden. Het meisje glipte achter de nette pakken van de bebrilde gezichten langs en verdween tussen de gepoetste schoenen van de aardbodem. Ze was niemand opgevallen. De mannen negeerden het moederloze meisje. Of zouden ze denken dat ik?
Ik verliet dit droomfragment en bewandelde een van de vele zijpaden van deze droom. Veel te laat werd ik wakker.
Vandaag dacht ik aan een zomervakantie in Brabant. Ik was vijftien en lag op een opgespoten zandstrandje bij een afgraving. Het was bloedheet en druk. Van verre kwam een blond jongetje aanrennen. Hij leek rond het hele meer te willen draven. Ik zag de zonnebaders geamuseerd toekijken maar niemand leek te denken; wat doet zo’n peuter in zijn uppie langs de waterlijn? Ik stond op en ving het mannetje in mijn armen. Nog herinner ik mij zijn stralend blauwe ogen en dansende haar. Hij was blij en had geen flauw benul van zijn vader die panisch het strandje afzocht. Opgelucht nam hij zijn zoontje van mij over en bedankte mij duizendmaal.
Vijftien jaar later liep ik zelf met zo’n blonde turf over het strand. Haast het evenbeeld van dat jongetje. Nog wat later kreeg ik een tweede zoon aan wie je niet kunt zien dat ik zijn moeder ben. Die steeds in het diepe springt zonder te kunnen zwemmen. Die ik steeds weer op het droge haal omdat hij anders verzuipt.

Recente reacties