
Ondanks de warme lentezon sluiten de luiken zich bij de aanvang van het weekend. Het is zo donker, er kiert nauwelijks licht door. Ik probeer het wel. Voortdurend duw ik met mijn ellebogen tegen het hardhout van de blinden aan in de hoop op een doorgang. Maar na acht jaar zie ik er geen gat meer in.
Onder een laagje aarde wachten de ontkiemde bonen van Rat op hun doorbraak naar het licht. Slechts in een seizoen groeien zij verder uit dan Draak ooit zal kunnen doen. Draak, het kind dat ik uit een land vandaan plukte met op de ene plaats grote droogte en op de andere plek woekerend groen in overvloed. Je kunt je afvragen of je een kind wel bij de wortels af mag rukken. Zeker als de wortels geen grond hebben gehad. Maar die vraag heeft nu geen zin meer. Ik heb haar vaak gesteld.
Groeien doet hij hier goed. Zijn lijf, armen en benen reiken hongerig als bonenstaken naar omhoog, maar in zijn kopje verschrompelen de zijtakken. Rest niets dan arme zandgrond waarop geen enkele knop tot volle bloei komt. Die je een vork als een riek voor de keel houdt.
Ik sta in de keuken achter het fornuis en kook. Voor de derde maal stuur ik Draak naar boven om zijn kamer op te ruimen. Draak kan niet spelen, dus hij gooit zijn bakken leeg voor een speelgoedberg die ’s avonds weer in de bakken moet. Hij kan alleen spelen als iemand met voor hem speelt. Daar vraagt hij de hele dag om. Om vermaak. Dat krijgt hij voldoende maar een paar dingen moet hij toch ook zelf doen. Zoals opruimen. Scheldend en stampend gaat hij naar boven. Nog een paar keer komt hij naar beneden waar ik stoïcijns de opdracht herhaal: Kamer opruimen! Steeds opnieuw beklimt hij woest de trap. Dat moet toch meer energie kosten dan plastic beestjes in een bak deponeren. Om zeven uur schuif ik doodmoe aan tafel. Draak zegt niet te weten of hij alles heeft opgeruimd. Ik weet genoeg. In een half uur tijd doorloopt hij al de emoties; moet enorm lachen, richt zich op om te dreigen met zijn bestek en schiet bijna vol. Veel ruimte om te eten blijft er niet over.
Dit is het, bedenk ik me. Het plafond. Veel verder komt het niet. Iedere stap die hij zet moet naast een volwassene worden genomen anders struikelt hij aanhoudend en neemt een ieder mee in zijn val.
Als een nestblijver wordt hij gevoed. Maar op een dag is hij zestien. Achttien. Dertig. En dan? Worden dan de vleugeltjes geknipt?
Als Draak naar bed is en het huis weer rust ademt, begint het me te duizelen. Even liggen, denk ik dan. Ik ga liggen, staan en lopen, zitten en weer liggen. Kijk naar het lampschijnsel in het raam en zie daar een buitenaardse boodschap in. Ze komen mijn ziel halen. Ik ga dood. Het is alsof de woonkamer zich om mij sluit -vacuum verpakt- om zich dan enorm op te blazen. De wereld stroomt als water naar binnen, van brak naar zoet in zout. In een hoekje van mijn hoofd staat ineens ’suiker’. Ik loop naar de gang om uit mijn jaszak een zakje vloeibare glucose te pakken, neem het in en strompel nog tien minuten zinloos door de kamer, vloek en schop tegen de aanrechtkast aan omdat iets het van mij overneemt. Toch kan ik het besluit nemen om naar boven te gaan. Plat op mijn rug wacht ik verstijfd op bed het moment af waarop de woorden in mijn hoofd zich weer tot normale zinnen zullen vormen. Het moment waarop mijn hoofd weer van mij is. Even is het alsof Draak mijn kop in is geschoten. Zijn gekte. Zijn onsamenhangende beeld van de wereld, van de mensen, van relaties en ga-zo-maar-door. In zijn wereld reageer je primitief door te gaan schreeuwen als je het niet meer weet, te vernietigen wat je aanvliegt en om doelloos heen en weer te lopen als je hoofd je niet kan vertellen wat je te doen staat.
Na een uur kan ik opstaan. Ik heb het koud. Mijn tong is twee keer zo dik en mijn lippen zijn van rubber. Met een omslagdoek nestel ik mij op de bank. Rat kruipt dicht tegen me aan en zegt iets liefs en we kijken samen naar de tv. Ik probeer de beelden te ordenen, de oranje vlekken van aanhangers van de Bhagwan weer tot mensen te maken en hun gespreksflarden om te vormen naar verstaanbare taal. Langzaam voel ik mijn lichaam weer en valt alles in mijn hoofd op zijn plek.
Ik denk aan Draak. Draak heeft een hoofd waarin het voortdurend confetti en scheermesjes regent. Een hoofd dat je aan alles en iedereen vast doet grijpen omdat je denkt dat de hele wereld over je heen valt. Ik haat het om de controle over mijn denken te verliezen. Nog erger is het om het nooit in bedwang te kunnen houden. En dat voor een kind van negen.

mooi geschreven.