deel 1

Onder de gouden regen lonkte de vagebond naar een hemels vuur. Onverschillig voor het onweer school hij onder de volle kruin, een enkele hand geklauwd om de stam, de striemende slagregen sloeg de gele bloemtrossen met geweld naar de grond. Zijn suede jas droop van het water. Hij schudde zich een paar keer uit en ging bij haar naar binnen. Via de achtertuin sloop hij weg om nooit wederom te keren. Op die avond sloeg het noodweer toe.
Steunend op de ellebogen, zijn lippen blauw van viltstift, schreef Leon al mee mompelend onder zijn tekening; Soep is ziek en nou gaat ze dood. Ze hadden haar zojuist gekamd. Hij had mee mogen helpen en gezegd: Net als bij mensen die dood zijn he Meis? Die worden dan mooi gemaakt! Soep was nog niet dood, maar over een paar uur zou ze het zijn. ‘Straks kan ik nooit meer een kat aaien!’
‘We zullen zien Leon, we zullen zien!’ Meis schudde de fles lysol leeg op een oud overhemd en ontsmette gedreven de kattenbak. Haar bruingele hand ging naar links en bleef boven de kattenkop hangen. Het astmatische asieldier had het lang uitgehouden. Met een afgeronde nagel veegde ze het opgedroogde snot van het neusje weg. Soep keek niet op of om. Haar kopje schommelde bij iedere aanraking. Soep was op.
Met de rug van haar hand gleed Meis over de met cacao gemarmerde zwarte haren. Eens glanzend satijn in het zonlicht op de brede vensterbank. Altijd tegen de wit uitgeslagen terracottapot aangeschurkt. De staart zwiepend als een omgekeerde metronoom voor de verwarmingsbuizen. Vandaag de dag oogde de rechtopstaande vacht dof en vertoonde kale plekken. Soep rook ook anders; zoetig, naar rotte bananen en betadine. Als Meis zachtjes een kneepje in haar nek gaf, hield ze een uitgedroogde binnenband tussen duim en wijsvinger geklemd. De rek was eruit.
‘Mijn vader was een leeuw he?’ Meis knikte. ‘Als Soep dood is, heb ik niemand meer.’
‘Je hebt mij toch,’ zei ze, maar wist dat zij niet telde, ze was niet aaibaar genoeg.
Zijn vader kon ze zich nauwelijks herinneren. Die was even donker geweest als de nacht waarin hij aan haar verscheen. Alleen zijn grauw, op het moment van verwekken, echode soms na. Ze had zich alleen gevoeld en hem binnengelaten, wetende dat hij niet zou blijven. Maar hij had haar iets gegeven tegen de eenzaamheid: Leon.
‘Waarom is hij weggegaan?’
‘Een gekooid leven paste hem niet. Kom, we moeten Soep in haar korf doen. Het is tijd!’ Meis sprong op en liep naar de gang om de rieten mand te pakken. Voor een moment keek ze van opzij in de wandspiegel. Het was dat haar naam refereerde aan haar geslacht anders was dat gissen geblazen. Na de geboorte van Leon was het alleen maar erger geworden. Bleek was ze, met daarboven het geblondeerde haar, kort gewiekt als een aftandse pleeborstel. Goddomme, nou ging ze haast nog janken ook. Janken om een kat.
-wordt vervolgd-
Recente reacties