Archief voor 26 juni 2009

Ontzielde zomer (2)

deel 2

Picture 375

Soep had bovenop haar studieboeken gezeten. Slingerde dagelijks een grindpad van grit uit over het sisal van de kamervloer. Kleine ergernissen van haren in de velours gordijnen en geproest op het raam had ze genegeerd. Zonder zeuren raapte ze haarballen op, wikkelde de kat in een handdoek om pillen in het bekje te wurmen en vulde op het laatst spuitjes met water.

Het beest was slechts een jaar toen ze haar uit het asiel haalde. Zus was mee geweest en vroeg hoe of die zwarte heksenkat moest gaan heten. Meis had het niet geweten. Noem haar dan Poes, opperde zus. Ik draai het wel om, had ze geantwoord. En zo was Poes, Soep geworden. Ze droeg haar naam waardig door iedere zaterdagmiddag de lege Unox blikken uit te likken. Zestien was ze inmiddels en al die tijd steeds door het kattenluikje teruggekomen. Zij wel.

Leon stond bij de voordeur. Hij wilde de korf dragen. Ze zouden lopend gaan in een stoet van twee. ‘Heb je de hoofdkraan dichtgedraaid Meis?’ vroeg Leon. Zonder een woord trok Meis de deur achter zich dicht. Niet dat hij een antwoord verwachtte.

Een hete luchtoven. Zo overviel de overgang van het koele huis naar de stovende straat hen. Zelfs de wind schroeide door hun dunne kleding heen.  Maar Leon gaf geen kik. Hij hield de korf stevig vast en stapte in gelijkmatige tred voor de laatste maal naar de dierenarts. Meis volgde gepast.

Leon lag in bed. Soep onder de grond. Meis wilde vluchten en pakte een boek. Een paar weken eerder had ze het gekocht zonder ook maar te hebben ingezien. Vanwege het omslag. Daarop stond een portret van de auteur. Meis keek naar de foto. Hij deed haar aan Soep denken. En aan die vagebond waarmee ze kortstondig verbonden was geweest. Kattenogen die in het donker meer zagen dan anderen ooit bij daglicht zouden zien. Schaduwvlekken in de oogkassen vlakten zijn scherpte wat af. Geen blik van een gezapige huiskater maar die van een zwerfkat. Argwanend en op afstand ondanks zijn chique houding en smetteloze blouse. Hij kon zo uithalen, dat zag ze aan zijn iets verbeten mond.

Ze spreidde haar vingers over het gezicht uit. Zijn linkeroog spiedde langs haar ring heen recht naar binnen. De wenkbrauw hoekte haar kootje. Met zijn oogopslag ietwat melancholisch in het blauw van de achtergrond.  Het leek haar geen valse kater. Hij was vast te vaak weggeschopt. Daarom had ze het boek gekocht. Ze wilde zijn verhaal kennen.

Meis rolde zich op in bed en begon met lezen. In de verte donderde het dof. Voor het open raam hing een regengordijn. Tegen de ochtend had ze het uit. Ze hoorde Leon in de keuken rommelen. Er viel iets op de grond. Meis herkende de blikken trommel van de brokjes. Het maakte een enorm kabaal op de plavuizen. Hij was het in zijn ochtendritme vergeten, zoals altijd had hij het bakje willen bijvullen. Gauw snelde Meis naar beneden en zag nog net hoe Leon met de mouw van zijn pyjama zich over de ogen wreef.

‘Zullen we haar voerbak op het grafje leggen?’ stelde ze voor. Leon knikte en rende al naar buiten. Ze wist dat ze hem niet achterna moest gaan. Dat deed je niet bij een jongen van al bijna negen.

-wordt vervolgd-