Archief voor juli 2009

I’m writing

Picture 430

Sorry! Silence!

Over schrijven, overschrijven

Griet

Omdat ‘De tranen van de zeegans’  net iets te weinig pagina’s bevat om zelfstandig te verschijnen, kreeg ik een poosje terug van de redacteur te horen dat ik er één of enkele verhalen bij moet schrijven zodat er geen novelle maar een verhalenbundel verschijnt.

Ik herschreef verhalen die ik nog had liggen maar de eigentijdsheid daarvan vloekt met de negentiende eeuwse zeegans. Liever zag ik De tranen van de zeegans als novelle op zich. Wil ik er geen onrust naast in de vorm van andere verhalen. Maar boeken uitgeven is ook een commercieel iets en te dunne boeken verkopen schijnbaar niet.

Maar ineens, onverwacht, verschijnt de vijftiende eeuwse Griet Widoeghe naast mijn bureau die me laat zien hoe ze oogt, wat haar werkzaamheden zijn, ze geeft me haar leeftijd prijs en ik voel dat er iets broeit. Dat meisje heeft een verhaal. Kortom, ik denk dat ik zojuist begonnen ben aan een passend verhaal, één dat prima naast De tranen van de zeegans kan staan.

Zeker weten doe je dat nooit, ik weet niet eens of Griet blijft leven, misschien verandert ze gaandeweg in Antje of Engeltje Ganzebraad of blijkt ze er een van een tweeling te zijn. Ze kan ook in de zestiende eeuw thuishoren. Maar ‘t gevoel is er. Het is dan net alsof het verhaal al klaarligt en je het alleen nog maar over hoeft te schrijven. Het fictieve personage je de hand reikt om je naar het eind te leiden.

Hel lo?

Vijf Engelse meisjes in de trein. Jaar of zestien, zeventien gok ik. Vijf verschillende types, fris en fruitig om te zien, om beurten maken ze grappen. Ze vertellen hoe ze in Amsterdam aangesproken zijn, welke cliche’s er in schools Engels naar hun mooie hoofdjes zijn gegooid. Af en toe lach ik mee. Ze zijn leuk. Ik herinner me hoe ik zelf op die leeftijd ook zo kon lachen met vriendinnen. Hoe we elkaar aftroefden met het zo hilarisch mogelijk vertellen van opmerkelijke voorvallen. Nog even en de trein komt aan in Alkmaar, we stoppen op ‘t voorlaatste station. De meiden roepen en zwaaien: ‘Hel lo? Hel lo? Hel lo? Hello?’  De trein staat stil in Heiloo. Een dorp dat buitenlanders in naam vrolijk begroet.

Tranen met blokfluiten

We hebben Indonesisch gegeten in de Warmoesstraat, Zus en ik. Ons leven is weer bijgepraat en we lopen richting station. Een jonge man zit voor de brugleuning met aan zijn voeten twee gevlekte hondjes. Hij huilt. Zus wil doorlopen maar ik draai me om. Dit is echt.  Zus: ‘Kom zusje, dat is zijn karma. Hij kiest zelf voor zo’n leven.’  ’Een volgende keer zit je daar misschien zelf Zus. Je weet nooit wat t leven met je voorheeft,’ ik grabbel een vijfje uit mijn knip. Zus herkent hem als de man die we op de heenweg blokfluit hebben zien spelen. Blokfluiten eigenlijk, aan ieder neusgat één.

Ik stap op hem af en geef hem het papiergeld aan, met betraande ogen kijkt hij naar mij op en fluistert een bedankje. Voor een moment rust mijn hand op zijn hoofd, kort streel ik hem door zijn honingblonde haar. Dan loop ik weer snel door. Ik had hem willen omhelzen, vragen naar zijn pijn, maar dat doe je niet bij een vreemde huilende man op straat. 

 ’Je kreeg het zeker te kwaad?’ vraagt Zus. ‘Nee,’ antwoord ik, ‘ik heb met hem te doen.’  ‘Hopelijk koopt hij geen drugs van je geld,’ vervolgt nuchtere Zus, oud cipier van de bajes en achterdochtig van aard. Zelf denk ik dat hij er eten van koopt om te delen met zijn hondjes. Ik zie in hem geen huilende junk maar een jonge man die moe is van zijn manier van leven en zich op zijn blote voeten en in korte broek afvraagt wat hij in godsnaam hier doet met twee blokfluiten, zijn honden en zichzelf op een brug in Amsterdam waar niemand hem eens even vasthoudt.

Kostje verloren

Draak

Het Kindercentrum ligt aan de Kostverlorenstraat in een bekende kustplaats. Wrange naam voor de straat waar een Orthopedagogische behandelgroep is gevestigd. Verliest Draak zijn kostje?

Op een zomerse dag rijden we er, nog zonder hem, voor een kennismaking heen. Geboren en getogen aan zee komen alle kustplaatsen, waar ter wereld dan ook,  mij als thuis voor. Draak is niet aan zee geboren maar in Addis Abeba. Hij herkent geen thuis. Draak heeft zich maar thuis te voelen. Moeilijk als je dat niet kent.

De ontvangst is vriendelijk. Draaks toekomstige woonomgeving ziet er aardig uit maar ik voel mij een verrader. Mijn aangenomen kind kan niet in een gezin, niet in ons huis. Hij is wel graag thuis. Bij ons. Soms lijkt het te kunnen, maar op ieder moment van denken stort die gedachte  bijna direct als een kaartenhuis  in. Een voorval blaast de kaarten om of zijn voorbijgaan doet de grond enorm schudden. Je klampt je vast aan een joker.

Ik wil naar huis, weg van hier. Weg van de witte villa’s langs de lange laan die naar het Kindercentrum voert.  De  geur van duinroosjes aan de rand van een schelpenpad bedwelmt. Bijtend zout hangt in de lucht. 

Op de terugweg ben ik stil. Het wordt steeds stiller in huis. Soms hoor ik mijn eigen ademhaling en begrijp Draak als die schreeuwt niet meer te willen leven. Om zich een kwartier later weer levenslustig aan een kippenbout te vergrijpen.

Hij is voor een weekje vakantie thuis. Ik zie zijn leuke kop. De stralende ogen die in een vingerknip boosaardig kunnen staan. Ik ben een kutmoeder maar dan wel de liefste van de hele wereld. ‘Niemand kan zo lekker koken als jij mam.’ Gelukkig wordt er op de nieuwe kliniek door een gastvrouw gekookt en niet zoals Draak over zijn huidige kliniek zegt: ‘De kok warmt het eten alleen maar op.’  Eten en gegeten worden, zijn de ijkpunten van Draaks bestaan. Zijn kostje. Verloren.