
Omdat ‘De tranen van de zeegans’ net iets te weinig pagina’s bevat om zelfstandig te verschijnen, kreeg ik een poosje terug van de redacteur te horen dat ik er één of enkele verhalen bij moet schrijven zodat er geen novelle maar een verhalenbundel verschijnt.
Ik herschreef verhalen die ik nog had liggen maar de eigentijdsheid daarvan vloekt met de negentiende eeuwse zeegans. Liever zag ik De tranen van de zeegans als novelle op zich. Wil ik er geen onrust naast in de vorm van andere verhalen. Maar boeken uitgeven is ook een commercieel iets en te dunne boeken verkopen schijnbaar niet.
Maar ineens, onverwacht, verschijnt de vijftiende eeuwse Griet Widoeghe naast mijn bureau die me laat zien hoe ze oogt, wat haar werkzaamheden zijn, ze geeft me haar leeftijd prijs en ik voel dat er iets broeit. Dat meisje heeft een verhaal. Kortom, ik denk dat ik zojuist begonnen ben aan een passend verhaal, één dat prima naast De tranen van de zeegans kan staan.
Zeker weten doe je dat nooit, ik weet niet eens of Griet blijft leven, misschien verandert ze gaandeweg in Antje of Engeltje Ganzebraad of blijkt ze er een van een tweeling te zijn. Ze kan ook in de zestiende eeuw thuishoren. Maar ‘t gevoel is er. Het is dan net alsof het verhaal al klaarligt en je het alleen nog maar over hoeft te schrijven. Het fictieve personage je de hand reikt om je naar het eind te leiden.
Recente reacties