Archief voor december, 2011

Nevel

Een eierschaal rond mist, zo omsluit
mijn schedel flarden vruchteloos geheugen

Langs de oever vind je opgehoest teer
en als de dagjesmensen verdronken zijn
ziet het zwart op hun verloren veren

Zou ik mij een schim in ochtendschemer
herinneren, die een eerste kievitsei raapt,
leven roekeloos voor de voeten weg kaapt?

Liever beroof ik mij van loze gedachten,
achter draadgaas vanuit mijn gezichtsveld,
in gevangenschap van een grijze massa

Nevel is de geboorteplaats van sterren.

Gedicht voor radio-uitzending van 28 december 2011.

Recensies op een rijtje

Alle recensies over ‘De tranen van de zeegans’ zijn te vinden op de site van de uitgever, daar staan ze mooi op rij: Recensies

Zeeland Geboekt

Een mooie recensie over ‘De tranen van de zeegans’ van Jan van Damme is te vinden op Zeeland Geboekt (blog van 19 december 2011) waar boeken die over Zeeland gaan of door een Zeeuwse auteur zijn geschreven besproken worden.

Citaat:

Ik kwam de titel ergens tegen op de boekensite van de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg: De Tranen van de Zeegans. Die intrigeerde. Vervolgens bleek de hoofdpersoon afkomstig te zijn uit Driewegen. Driewegen? Welk Driewegen – want in Zeeland zijn er al meerdere dorpen en gehuchten, die altijd voor een leuke verwarring zorgen. Driewegen bij Biervliet, mailde schrijfster Inge Bak me terug op mijn vraag. Daarmee was het pleit beslecht. Ik heb de novelle gelezen. En ben daar nog steeds en voor altijd heel blij om. Wat schrijft die Inge Bak heerlijk atmosferisch – een term die ik nu gebruik omdat de regen tegen de ruiten slaat.

Voor het gehele artikel ga naar Zeeland Geboekt.

Sneeuwsage; Spiegelijs

Vanavond heb ik een al wat ouder verhaal van mezelf voorgelezen in het programma ‘Samen’  op A’dam FM. Ik heb het verhaal indertijd willen schrijven als een oude volksvertelling.  Alsof het volgens orale traditie doorgegeven zou zijn.


Spiegelijs

Innerle keek naar het wit. Haar platte handen maakten een afdruk. Het eerste wat ze zag en voelde was het ijs. Later de lucht en toen ze verder strekte, kwam ze uit bij het water. Wie was dat? Ze had er geen woorden voor. Innerle had woorden voor donker. Voor denken. Voor dromen bij dag. Maar buiten de sneeuwhut was het leeg. Niets droeg een naam van betekenis.

Gauw trok ze zich terug. Blies warme adem langs de gekromde vingers en vroeg zich af waar haar wereld zich bevond. Hier, opgerold in bont, temidden van kleurrijke gedachten. Of daar buiten, bij het gladde wit, blauw van boven dat ze kende van binnen, of het ijskoude nat waar ze iets vreemds in zag. ‘Ben ik hier binnen ik? Of ben ik buiten?’

De volgende dag probeerde ze het nogmaals. Innerle duwde waarmee ze dacht naar buiten. Op haar buik schoof ze naar voren. Naar het ijskoude nat. Weer zag ze waar ze geen woorden voor had. Maar ook dat het uit de sneeuwhut kwam gekropen. Dat het iets van haar moest zijn.

De derde dag besloot ze om de hut maar helemaal los te laten. Wat ze toen zag, beviel haar. Het beviel haar zo, dat ze er niet over piekerde terug naar binnen te gaan. De glimmende waterspiegel betoverde. Innerle vond dat ze anders moest gaan heten. Haar naam paste niet meer. Voelde net zo benauwd aan als de beslotenheid van de sneeuwhut. ‘Vanaf vandaag heet ik Uiterle,’ sprak ze hardop. En wierp haar oude naam naar een veelvraat even verder op, die het tezamen met een halve walvis opvrat.

Haar sneeuwhut sneeuwde onder. Verdween uit zicht. Ging op in een witte heuvel temidden van het niets. Volgens Uiterle diende zij nergens meer toe. Daarop harpoeneerde ze een zeehond, verfde haar lippen rood met bloed en liet haar haren glimmen van onderhuids vet. Wat was ze mooi. Mooi, een woord van glimlachen en bewonderen. Voor alle mooie dingen om haar heen bedacht ze woorden. Zoals voor de kraag van kariboebont rond haar opgepoetste gezicht. De lange beenderen ketting en een opgesmukte laars. De hele dag staarde ze naar haar spiegelbeeld en dacht, mooi!

Na een paar manen begon het te vervelen. Uiterle had alles nu wel een naam gegeven, maar geen betekenis. Haar mond was rood maar vertelde niets. Eens had ze vol verhalen gezeten. Nu vormden de lippen alleen nog maar een cirkel van mooi. Plotseling miste ze haar hut. Ze groef die uit en kroop weer naar binnen.

Losse gedachten vielen in vlokken rond haar schaduw op de ijswand. Waar te beginnen? Ze begon maar gewoon. Maakte een vuur. Stapelde een berg van huiden op. En daarmee kwamen de vragen terug. Waarom doe ik dit? Waarom verwarm ik mij? Waarom bescherm ik mijn huid met die van een beest? Haar Ik praatte weer tegen haar en ze wist weer wie ze was: Innerle. Maar haar naam lag op de bodem van de veelvraat zijn buik. Wat nu?

Geen naam. Dus ook geen gezicht. Ze wilde een gezicht. Opnieuw ging ze kijken naar hoe ze eruit zag. Spiegelde zich in het zeewater. Had glans en kleur zonder vet en zeehondenbloed. ‘Tja, dit ben ik ook. Wie ben ik nu?’ Toen bedacht ze om het te verdelen. Iedere dag zou ze een poosje in de hut zijn, maar er toch ook een paar keer op uit gaan. En vanaf die dag noemde ze zich Inuit. Toen Inuit ouder werd, kon ze ook buiten met gesloten ogen de sneeuwhut vinden. En zag hoe het ijs smolt, het water langzaam de grond binnendrong van waaruit groene sprieten zich een weg omhoog duwden.



Follow

Get every new post delivered to your Inbox.