Archief voor de categorie 'dagboek'

De pen als wapen

De pen is een machtig wapen. Voor een scherp geslepen polemiek. Een ingezonden brief. Met mooie woorden kun je iemand voor je winnen. Met venijn daarentegen van je afslaan. In hapkido gebruiken ze de pen letterlijk als wapen. In voorbije tijden paste men daar de pen toe op dodelijke drukpunten. De pentechniek van nu is wreed te noemen. Je kunt iemand in een handbeentje steken maar de slagader mag ook. Dat laatste alleen als je de dood in de ogen kijkt. Het valt  immers onder de verdedigingssport.

Dus Draak heeft gewoon hapkido beoefend. Een kind in beide zijden met een ballpoint gestoken. Dwars door de kleding heen. Tot bloedens toe. Zelfverdediging? Ja en nee. Als hij van de leiders van de schoolbende niet een ander kind grijpt, wordt hij zelf gegrepen. Maar de pen bedacht hij zelf. Slaat hij eenmaal aan het vechten, verliest hij zich daarin. Zoekt een wapen dat voorhanden is.

Het is al maanden aan de gang. Georganiseerd op school. De terreur is hard. Doe je niet mee, zullen ze je aan stukken snijden. Vertel je het door, steken ze je neer. Draak hield zijn mond. Was doodsbang voor de leider en vechten kan hij als de beste. Daardoor vocht hij zich nog behoorlijk hoog in de hiërarchie van de bende. Maar wat een worsteling moet dat zijn. Ook voor Draak. Van al dat knokken in een kop, knakt de ruggengraat.

Oog voor wapens heeft hij zonder meer. Draak beheert een heel wapenarsenaal van stokken achter in de tuin . De scherpe punters druk ik ongezien achterover. Maar het barst hier in huis van de ballpoints. Die liggen overal. In elke hoek van de kamer. Ik voer immers de pen.

Hechten

Picture 663

‘Ik kan mij niet meer hechten!’ Hoe vaak riep ik dit niet nadat mijn adoptiezoon uit huis was geplaatst? Het gekke was dat die uitspraak niet op kinderen sloeg maar op dieren. Het betrof levende schepsels waar ik -eenmaal in huis genomen- voor zou moeten zorgen tot aan de dood. Die belofte kon ik niet meer doen. Ik heb in mijn leven al heel wat dieren gehad. Vertrouwen in dat mij dat goed afgaat, zou vanzelfsprekend moeten zijn.

Overvallen door bindingsvrees deed ik toch, nadat mijn hond gestorven was, verscheidene pogingen een nieuwe viervoeter te vinden. Maar iedere poging liep op niets uit. Bij het bezichtigen van puppen kreeg ik de kriebels als de papieren in zicht kwamen. Het haalde de adoptie naar boven.  Een optie op een Spaanse asielhond bezorgde me slapeloze nachten. Dan maar geen hond.

Het huis werd wel erg leeg. Stil. Saai. Mijn oudste zoon stelde voor om een poes te nemen. Omdat je met een kat minder gebonden bent, durfde ik het aan. Zo kwam ik twee weken geleden met een cypers poesje thuis. Het beestje had nog zichtbare hechtingen van de sterilisatie. Na een paar dagen sprongen de hechtingen open. Het dier reageerde allergisch op het hechtmateriaal.

Al ruim een week houd ik me bezig met het schoonhouden van de kapot gemaakte huid. Dien antibiotica toe. Langzaam helen de wonden. Ineens herinner ik mij mijn uitspraak: ‘Ik kan mij niet meer hechten!’ De kat was al gehecht maar ik heb me opnieuw met haar te hechten. Samen likken we onze wonden. Hoe mooi de symboliek van het woord.

Bindingsangst

Safira2

Safira moet ze heten. Uiteindelijk zal het wel een echte Truus blijken te zijn, net zoals haar zwarte voorgangster Pandora. Daar zit je dan als hondenmens; opgezadeld met een kat. In maart van dit jaar was de hond na zestieneneenhalf jaar op. Ouder kon ze niet worden. Haar taak als gezelschapsdier was gedaan. Pandora legde zeven jaar eerder al het loodje.

Een kadaver en een kind uit huis. Dooie boel zeg. Ook wel prettig. Een mandlegerige hond en  kind dat voortdurend toezicht nodig heeft, vragen veel. Even niet zorgen. Nou ja, bijna niet: Drie goudvissen, twee hoogbejaarde cavia’s -die ook maar niet dood willen- en een dertienjarige die steeds zelfstandiger wordt.

Ik lieg een klein beetje. Ik ben niet louter een doggy-lover. Een hond vind ik gewoon net even leuker dan een kat. De band met zo’n dier is hechter. Maar juist dat binden houdt me tegen. Noem het bindingsangst.  Het niveau van een hond gaat haast gelijk op met dat van een kleuter. Zo’n blaffer is dus een handenbindertje. En ik heb geen zin meer in die boeien.  Maar ja, die dooie boel he. Dus toch maar een zwerver opgehaald uit het asiel. Een kat adopteren is een stuk eenvoudiger dan het adopteren van een kind. Je mag haar of hem zelfs terugbrengen als het thuis niet gaat.

Drie?

schoon

Het tweede verhaal (Griet Widoeghe) is klaar en goed bevonden. Omdat het nog even duurt voordat er publicatie-ruimte is bij de uitgever, speelt de gedachte door mijn hoofd om aan een derde verhaal te beginnen. Ik denk altijd in drie; waxinelichtjes in een groepje van drie, snuisterijen, fotolijstjes, tuinplanten van eenzelfde soort: Indien mogelijk gegroepeerd per drie. Dus een verhalenbundel (De tranen van de zeegans) met maar twee verhalen telt niet mee.

Ik kan voor een volgend verhaal nog verder terug in de tijd gaan. Via de negentiende eeuw naar de late middeleeuwen en dan….3 n. Chr. ? In ieder geval wordt het wel mijn derde boek. En dan stoppen? Neen, dan op naar het volgende drieluik.

I’m writing

Picture 430

Sorry! Silence!

Over schrijven, overschrijven

Griet

Omdat ‘De tranen van de zeegans’  net iets te weinig pagina’s bevat om zelfstandig te verschijnen, kreeg ik een poosje terug van de redacteur te horen dat ik er één of enkele verhalen bij moet schrijven zodat er geen novelle maar een verhalenbundel verschijnt.

Ik herschreef verhalen die ik nog had liggen maar de eigentijdsheid daarvan vloekt met de negentiende eeuwse zeegans. Liever zag ik De tranen van de zeegans als novelle op zich. Wil ik er geen onrust naast in de vorm van andere verhalen. Maar boeken uitgeven is ook een commercieel iets en te dunne boeken verkopen schijnbaar niet.

Maar ineens, onverwacht, verschijnt de vijftiende eeuwse Griet Widoeghe naast mijn bureau die me laat zien hoe ze oogt, wat haar werkzaamheden zijn, ze geeft me haar leeftijd prijs en ik voel dat er iets broeit. Dat meisje heeft een verhaal. Kortom, ik denk dat ik zojuist begonnen ben aan een passend verhaal, één dat prima naast De tranen van de zeegans kan staan.

Zeker weten doe je dat nooit, ik weet niet eens of Griet blijft leven, misschien verandert ze gaandeweg in Antje of Engeltje Ganzebraad of blijkt ze er een van een tweeling te zijn. Ze kan ook in de zestiende eeuw thuishoren. Maar ‘t gevoel is er. Het is dan net alsof het verhaal al klaarligt en je het alleen nog maar over hoeft te schrijven. Het fictieve personage je de hand reikt om je naar het eind te leiden.

Hel lo?

Vijf Engelse meisjes in de trein. Jaar of zestien, zeventien gok ik. Vijf verschillende types, fris en fruitig om te zien, om beurten maken ze grappen. Ze vertellen hoe ze in Amsterdam aangesproken zijn, welke cliche’s er in schools Engels naar hun mooie hoofdjes zijn gegooid. Af en toe lach ik mee. Ze zijn leuk. Ik herinner me hoe ik zelf op die leeftijd ook zo kon lachen met vriendinnen. Hoe we elkaar aftroefden met het zo hilarisch mogelijk vertellen van opmerkelijke voorvallen. Nog even en de trein komt aan in Alkmaar, we stoppen op ‘t voorlaatste station. De meiden roepen en zwaaien: ‘Hel lo? Hel lo? Hel lo? Hello?’  De trein staat stil in Heiloo. Een dorp dat buitenlanders in naam vrolijk begroet.

Tranen met blokfluiten

We hebben Indonesisch gegeten in de Warmoesstraat, Zus en ik. Ons leven is weer bijgepraat en we lopen richting station. Een jonge man zit voor de brugleuning met aan zijn voeten twee gevlekte hondjes. Hij huilt. Zus wil doorlopen maar ik draai me om. Dit is echt.  Zus: ‘Kom zusje, dat is zijn karma. Hij kiest zelf voor zo’n leven.’  ’Een volgende keer zit je daar misschien zelf Zus. Je weet nooit wat t leven met je voorheeft,’ ik grabbel een vijfje uit mijn knip. Zus herkent hem als de man die we op de heenweg blokfluit hebben zien spelen. Blokfluiten eigenlijk, aan ieder neusgat één.

Ik stap op hem af en geef hem het papiergeld aan, met betraande ogen kijkt hij naar mij op en fluistert een bedankje. Voor een moment rust mijn hand op zijn hoofd, kort streel ik hem door zijn honingblonde haar. Dan loop ik weer snel door. Ik had hem willen omhelzen, vragen naar zijn pijn, maar dat doe je niet bij een vreemde huilende man op straat. 

 ’Je kreeg het zeker te kwaad?’ vraagt Zus. ‘Nee,’ antwoord ik, ‘ik heb met hem te doen.’  ‘Hopelijk koopt hij geen drugs van je geld,’ vervolgt nuchtere Zus, oud cipier van de bajes en achterdochtig van aard. Zelf denk ik dat hij er eten van koopt om te delen met zijn hondjes. Ik zie in hem geen huilende junk maar een jonge man die moe is van zijn manier van leven en zich op zijn blote voeten en in korte broek afvraagt wat hij in godsnaam hier doet met twee blokfluiten, zijn honden en zichzelf op een brug in Amsterdam waar niemand hem eens even vasthoudt.

Kostje verloren

Draak

Het Kindercentrum ligt aan de Kostverlorenstraat in een bekende kustplaats. Wrange naam voor de straat waar een Orthopedagogische behandelgroep is gevestigd. Verliest Draak zijn kostje?

Op een zomerse dag rijden we er, nog zonder hem, voor een kennismaking heen. Geboren en getogen aan zee komen alle kustplaatsen, waar ter wereld dan ook,  mij als thuis voor. Draak is niet aan zee geboren maar in Addis Abeba. Hij herkent geen thuis. Draak heeft zich maar thuis te voelen. Moeilijk als je dat niet kent.

De ontvangst is vriendelijk. Draaks toekomstige woonomgeving ziet er aardig uit maar ik voel mij een verrader. Mijn aangenomen kind kan niet in een gezin, niet in ons huis. Hij is wel graag thuis. Bij ons. Soms lijkt het te kunnen, maar op ieder moment van denken stort die gedachte  bijna direct als een kaartenhuis  in. Een voorval blaast de kaarten om of zijn voorbijgaan doet de grond enorm schudden. Je klampt je vast aan een joker.

Ik wil naar huis, weg van hier. Weg van de witte villa’s langs de lange laan die naar het Kindercentrum voert.  De  geur van duinroosjes aan de rand van een schelpenpad bedwelmt. Bijtend zout hangt in de lucht. 

Op de terugweg ben ik stil. Het wordt steeds stiller in huis. Soms hoor ik mijn eigen ademhaling en begrijp Draak als die schreeuwt niet meer te willen leven. Om zich een kwartier later weer levenslustig aan een kippenbout te vergrijpen.

Hij is voor een weekje vakantie thuis. Ik zie zijn leuke kop. De stralende ogen die in een vingerknip boosaardig kunnen staan. Ik ben een kutmoeder maar dan wel de liefste van de hele wereld. ‘Niemand kan zo lekker koken als jij mam.’ Gelukkig wordt er op de nieuwe kliniek door een gastvrouw gekookt en niet zoals Draak over zijn huidige kliniek zegt: ‘De kok warmt het eten alleen maar op.’  Eten en gegeten worden, zijn de ijkpunten van Draaks bestaan. Zijn kostje. Verloren.

Jennifer sings

Ik bezocht de hyvespagina van een van mijn nichtjes en hoorde daar haar dertienjarige dochter Jennifer zingen op You Tube. Nu kom ik Jennifer wel eens tegen op de verjaardag van oma. Dan zit  ze vrij timide met haar Chihuahua op schoot op zo’n rechte stoel  in t benauwde bejaardenflatje. Maar nu ik Jennifer hoor zingen, komt ze behoorlijk uit die stijve zetel vandaan. I’m as proud as a peacock. Have a good listen to this!

Volgende Pagina »