Vijf Engelse meisjes in de trein. Jaar of zestien, zeventien gok ik. Vijf verschillende types, fris en fruitig om te zien, om beurten maken ze grappen. Ze vertellen hoe ze in Amsterdam aangesproken zijn, welke cliche’s er in schools Engels naar hun mooie hoofdjes zijn gegooid. Af en toe lach ik mee. Ze zijn leuk. Ik herinner me hoe ik zelf op die leeftijd ook zo kon lachen met vriendinnen. Hoe we elkaar aftroefden met het zo hilarisch mogelijk vertellen van opmerkelijke voorvallen. Nog even en de trein komt aan in Alkmaar, we stoppen op ‘t voorlaatste station. De meiden roepen en zwaaien: ‘Hel lo? Hel lo? Hel lo? Hello?’ De trein staat stil in Heiloo. Een dorp dat buitenlanders in naam vrolijk begroet.
Archief Pagina 2
We hebben Indonesisch gegeten in de Warmoesstraat, Zus en ik. Ons leven is weer bijgepraat en we lopen richting station. Een jonge man zit voor de brugleuning met aan zijn voeten twee gevlekte hondjes. Hij huilt. Zus wil doorlopen maar ik draai me om. Dit is echt. Zus: ‘Kom zusje, dat is zijn karma. Hij kiest zelf voor zo’n leven.’ ’Een volgende keer zit je daar misschien zelf Zus. Je weet nooit wat t leven met je voorheeft,’ ik grabbel een vijfje uit mijn knip. Zus herkent hem als de man die we op de heenweg blokfluit hebben zien spelen. Blokfluiten eigenlijk, aan ieder neusgat één.
Ik stap op hem af en geef hem het papiergeld aan, met betraande ogen kijkt hij naar mij op en fluistert een bedankje. Voor een moment rust mijn hand op zijn hoofd, kort streel ik hem door zijn honingblonde haar. Dan loop ik weer snel door. Ik had hem willen omhelzen, vragen naar zijn pijn, maar dat doe je niet bij een vreemde huilende man op straat.
’Je kreeg het zeker te kwaad?’ vraagt Zus. ‘Nee,’ antwoord ik, ‘ik heb met hem te doen.’ ‘Hopelijk koopt hij geen drugs van je geld,’ vervolgt nuchtere Zus, oud cipier van de bajes en achterdochtig van aard. Zelf denk ik dat hij er eten van koopt om te delen met zijn hondjes. Ik zie in hem geen huilende junk maar een jonge man die moe is van zijn manier van leven en zich op zijn blote voeten en in korte broek afvraagt wat hij in godsnaam hier doet met twee blokfluiten, zijn honden en zichzelf op een brug in Amsterdam waar niemand hem eens even vasthoudt.

Het Kindercentrum ligt aan de Kostverlorenstraat in een bekende kustplaats. Wrange naam voor de straat waar een Orthopedagogische behandelgroep is gevestigd. Verliest Draak zijn kostje?
Op een zomerse dag rijden we er, nog zonder hem, voor een kennismaking heen. Geboren en getogen aan zee komen alle kustplaatsen, waar ter wereld dan ook, mij als thuis voor. Draak is niet aan zee geboren maar in Addis Abeba. Hij herkent geen thuis. Draak heeft zich maar thuis te voelen. Moeilijk als je dat niet kent.
De ontvangst is vriendelijk. Draaks toekomstige woonomgeving ziet er aardig uit maar ik voel mij een verrader. Mijn aangenomen kind kan niet in een gezin, niet in ons huis. Hij is wel graag thuis. Bij ons. Soms lijkt het te kunnen, maar op ieder moment van denken stort die gedachte bijna direct als een kaartenhuis in. Een voorval blaast de kaarten om of zijn voorbijgaan doet de grond enorm schudden. Je klampt je vast aan een joker.
Ik wil naar huis, weg van hier. Weg van de witte villa’s langs de lange laan die naar het Kindercentrum voert. De geur van duinroosjes aan de rand van een schelpenpad bedwelmt. Bijtend zout hangt in de lucht.
Op de terugweg ben ik stil. Het wordt steeds stiller in huis. Soms hoor ik mijn eigen ademhaling en begrijp Draak als die schreeuwt niet meer te willen leven. Om zich een kwartier later weer levenslustig aan een kippenbout te vergrijpen.
Hij is voor een weekje vakantie thuis. Ik zie zijn leuke kop. De stralende ogen die in een vingerknip boosaardig kunnen staan. Ik ben een kutmoeder maar dan wel de liefste van de hele wereld. ‘Niemand kan zo lekker koken als jij mam.’ Gelukkig wordt er op de nieuwe kliniek door een gastvrouw gekookt en niet zoals Draak over zijn huidige kliniek zegt: ‘De kok warmt het eten alleen maar op.’ Eten en gegeten worden, zijn de ijkpunten van Draaks bestaan. Zijn kostje. Verloren.
deel 4 slot

En toen sprong haar leiding. De iMac die zich als een warm voelend mens had gedragen, werd ineens een koud stuk elektronica. In paniek draaide ze de kraan helemaal open, met in haar achterhoofd het besef hoe vernietigend water kon zijn. Maar ze vond het wachten op een afwijzing vernietigender. Zwerfkatten gingen altijd weg. Hoe dan ook. Net zoals die Leeuw bijna tien jaar geleden had gedaan. Wachten op pijn was erger dan versneld door pijn heengaan.
De tap draaide dol. Haar water gutste onophoudelijk zijn mailbox binnen. Al de drukte in haar hoofd spoelde door zijn PC. En katten hielden niet van water. Zwerfkat verzoop erin. Dregde hij weer boven dan opende haar schutkolk onmiddellijk opnieuw de deuren. Herhaaldelijk ging hij kopje onder, happend naar adem, klauwend naar vaste grond onder de poten. In een enorme woordhoos stortte ze binnen een paar dagen een heel innerlijk leven over hem uit.
Maar ’s nachts was haar sluis gesloten. Dan lag ze met geopende ogen te wachten op de krantenjongen die zijn fiets tegen het hek zou smijten en de krant naar binnen liet ploffen. Dan schoot zij overeind om iMac aan te doen. Vandaag nam ze niet eens de moeite zich fatsoenlijk te kleden. Hij zag haar toch niet. Hij zag Zus. Op het strand. Met baby Leon. Als meisje met een grijs konijn op schoot. Meis durfde haast niet meer te kijken. Blind tikte ze haar password in. Drie vetgedrukte kapitalen sprongen haar postvak binnen: WEG! Weg jij! Hij kon haar niet meer aan. Verstikt door haar emoties sloot hij haar doodmoe buiten door een simpel delete.
En Meis liep weg. Met gebogen hoofd. Haar bureaustoel draaide een halve slag en keerde hem de rug. Ze zette de kamerdeuren tegen elkaar open. Maar de schaamte bleef hangen, net zoals zij half over het aanrecht hing, prikkend in een restje koude pasta van de dag daarvoor. Leon stond naast haar. Om melk. Ze had hem niet eens horen komen. ‘Wat is er Meis? Waarom huil je?’ Hij trok de koelkast open. Ze voelde haar tranen niet meer na zoveel water. Katten kwamen uit zichzelf naar je toe, nooit onder dwang, dat had ze moeten weten. ‘O, ik weet het al Meis, je hebt je kraan open laten staan! Domoor!’ Leon sloeg de deur van de koelkast dicht en hield het pak melk aan zijn mond. Meis zei er niets van. Ze wist het. Ze had gewoon teveel water. Ze voelde teveel. De druk was te hoog. ‘Ik ga vandaag naar het bouwdorp!’ Leon gooide het lege pak in de pedaalemmer en stak een mes in de pindakaaspot. ‘Heb je nog restjes verf?’ Afwezig wees ze de richting op van de schuur.
Kinderen die niet op vakantie gingen, konden naar het bouwdorp. Met een aantal vrijwilligers bouwden ze daar aan een aantal speelhutten waar ze ook de nacht mochten doorbrengen. Leon ging ieder jaar weer. Dat was niets nieuws. Voor hem een timmeravontuur met gratis limonade. Meis zag een sloppenwijk in Brazilië. Modder en longontsteking. Honger en vuil. Onderkomens in elkaar gezet met alles dat voorhanden was. Afvalhout, gescheurd zeildoek en roestige spijkers. Wanhopig opgeschilderd met enkele strepen verf. Onschuldig kindervertier gekist in armoede. Zo keek Meis naar het bouwdorp, naar de wereld, deze zomer. Maar Leon zag er geen kwaad in. ‘Doei!’ en weg was hij. En Meis? Wat zou Meis vandaag eens doen? Er viel niets meer te mailen. Meis zou wachten op het donker.
Met een schop liep ze naar buiten. De lantaarnpaal achter de schutting lichtte voldoende bij. Naast Soep groef ze een vierkante kuil. Meis deed een stap naar achteren en staarde in een zwart gat. Door een klap van haar blad was een regenworm in tweeën gespleten. Kronkelend probeerden de twee losse endjes naar elkaar toe te graven. Als in trance keek ze naar het geworstel. Ineens draaide ze zich resoluut om, trapte tegen de drempel haar laarzen uit en begaf zich naar het bureau. Ze schoof iMac naar zich toe, even streelde ze zijn glazen gelaat en drukte een verhitte wang tegen een appelgroen speakertje. Toen trok ze in één wrede ruk de stekker er uit. Met iMac voor haar buik begaf ze zich weer naar de tuin. Zonder pardon gooide ze hem in het verse graf. Gespeend van menselijk contact was het zwarte scherm hoegenaamd niets. Met de schop dichtte ze het gat en stampte blootsvoets de aarde aan. Ook toen het allang vlak was bleef ze doorgaan met stampen. Uiteindelijk legde ze de muis er bovenop. Was leuk voor Soep, zo naast een muis.
Meis ging in de open keukendeur zitten. Als vanouds liet ze zich omarmen door de stilte. Het miezerde. Om de zoveel tijd vloog zo’n herfstige zomer je aan, die de dood inzette nog voor de bladeren vielen.
deel 3

Soms las je een boek met al je zintuigen. Dat had Meis met het boek van die zwerfkat. Hij zwierf in haar kop rond en liet zich niet wegjagen. Ze stond buiten met de klink van de achterdeur in haar hand en riep Leon na voor zijn appel maar hij was de straat al uit op weg naar school. Meis duwde de klikobak naar de stoep voor het huis. Het bruine padje dat er enkele weken geleden koelte onder had gezocht was ondanks haar voorzichtigheid platgereden. De ondraaglijke hitte van de afgelopen dagen hadden hem als een boomblad tussen een boek geplet en gedroogd. Ze liet het maar zo. Een grisaille op de betonnen stoeptegel. Gekneusde slakken alom, als Meis ’s avonds de poort afsloot, hoorde ze onder haar klompen de huizen kraken.
Staande aan het aanrecht dronk ze haar glas vruchtensap en gaf daarna de iMac in de woonkamer het leven door een druk op de knop. Ze dacht er op tijd aan haar eigen tap driekwartslag dicht te draaien. iMac gaf haar een homepage en e-mailadres van de auteur. Ze moest hem schrijven hoe zijn verhaal haar geraakt had. Ze was nogal gevoelig deze zomer. Soep dood, Leon die steeds over zijn vader begon, Kind van Zus zo ziek, daardoor vergat ze voortdurend de kraan af te sluiten, terwijl ze wist dat juist nu een stromende kraan bloedlink was. Ze schoof het pijltje naar verzenden en zo vloog haar bewondering over naar de mailbox van de schrijvende Siamees.
Toen Leon thuiskwam, kroop hij weg op zijn kamer. Hij hield zich schuil achter zijn stapel boeken over katachtigen. Leeuwen, tijgers, luipaarden en lynxen, Leon tekende ze allemaal na. Af en toe hoorde Meis het malende geluid van zijn puntenslijper. Ze plaatste een theeblad met sandwiches voor zijn deur. Ze wist hoe hij was, waarschijnlijk net als zijn onbekende vader, verlies verwerkte hij in afzondering. Als iets te moeilijk werd, liep hij weg. Toen ze opnieuw had gevraagd of hij misschien beneden kwam om wat te eten en hij weer weigerde, besloot ze om naar haar mail te kijken.
Tussen alle spam, een bericht van een vriendin en één van Zus zag ze de zwerfkat staan. Krachtig op vier poten sprong zijn naam er hoog bovenuit. Even schrok ze. Ze had niet gedacht dat hij zou reageren. Maar hij reageerde alleraardigst en daarop reageerde Meis weer. Voordat ze er erg in had, was er een reactie gaande en vlogen de mailtjes als pingpongballen over en weer.
Leon trok zich terug. Zus zat veel in het ziekenhuis en morgen ging de lange zomervakantie in. Meis werkte het hele jaar door. Ze vertaalde Engelse kookboeken. Haar vertaling van het Country pie and dessert book had ze gisteren naar de uitgever gestuurd. Nu had ze voorlopig niets. Op haar eigen leegte na.
Zwerfkat mailde wat foto’s van zichzelf uit verschillende perioden. Meis keek altijd naar details. Hij had een goeie kop, daar niet van. Een Oosterse raskat van origine die gedwongen was tot dwalen. Maar ze vond hem mooi vanwege zijn onderarmen. Cream Burmees. Die armen pasten ergens omheen. Om een knieharp, kind, Shar Pei of een vrouw. Maar het leek alsof ze aarzelden. Hij had haar eveneens om een foto gevraagd. Meis durfde niet. Haar naam had hem vast op een dwaalspoor gezet. Ze vergat het zelf ook weleens. Wat ze nu was. Daarom mailde ze een foto van Zus. Zus had lang, bruin haar. Mannen keken nog altijd naar haar om. Zij zou hem zeker bevallen. En dat deed ze. Over en weer. Dieper en dieper. Het was alsof ze elkaar al jaren kenden, steeds vaker vergat ze het om haar kraan af te sluiten. En Leon was er niet om haar daar aan te helpen herinneren.
Het beeldscherm leek te ademen. Er stroomde bloed door de snoeren en het toetsenbord stuurde de hartslag aan. Meis scande wederom wat foto’s: Zus op het strand, Zus met baby Leon, Zus met een grijs konijn op schoot en zo nog wat familiekiekjes. En toen mailde hij haar of ze elkaar misschien konden ontmoeten. Onlangs had ze een recente foto van Zus gemaild. Zus die lachte maar met ogen die zo in tranen konden uitbarsten. Het ging niet goed met Kind. Zwerfkat had het opgemerkt. Hij schreef dat hij haar stevig tegen zich aan wilde drukken. Meis las die regel keer op keer. Ze voelde het. Het was alsof zijn woorden als zachte huid door het beeldscherm pureerden om haar te kunnen raken. Ze wist dat zijn armen daarvoor gemaakt waren. Voor iets er tussen in.
Ze wenste niets liever dan hem te zien. Gewoon als man van vlees en bloed met een stem erbij. Om zo te ondervinden of ze ook pratende konden pingpongen. Waarschijnlijk niet. Meis was niet zo’n prater. Het was in haar hoofd al zo druk, daarom zocht ze de stilte op, die drukte viel niet te formuleren. Niemand die haar volgen kon. Ze verlangde er naar om vluchtig met haar vinger een spoor langs zo’n Cream Burmees onderarm te trekken. Maar hij zou haar niet herkennen. Biechtte ze hem haar leugen op, maaide hij haar vast in één armbeweging van zijn scherm weg. Hij hield van Zus. Van haar slanke hals met het moedervlekje. De reebruine ogen in het hartvormige gezicht. Iedereen hield van Zus. Meis ook.
-wordt vervolgd-
deel 2

Soep had bovenop haar studieboeken gezeten. Slingerde dagelijks een grindpad van grit uit over het sisal van de kamervloer. Kleine ergernissen van haren in de velours gordijnen en geproest op het raam had ze genegeerd. Zonder zeuren raapte ze haarballen op, wikkelde de kat in een handdoek om pillen in het bekje te wurmen en vulde op het laatst spuitjes met water.
Het beest was slechts een jaar toen ze haar uit het asiel haalde. Zus was mee geweest en vroeg hoe of die zwarte heksenkat moest gaan heten. Meis had het niet geweten. Noem haar dan Poes, opperde zus. Ik draai het wel om, had ze geantwoord. En zo was Poes, Soep geworden. Ze droeg haar naam waardig door iedere zaterdagmiddag de lege Unox blikken uit te likken. Zestien was ze inmiddels en al die tijd steeds door het kattenluikje teruggekomen. Zij wel.
Leon stond bij de voordeur. Hij wilde de korf dragen. Ze zouden lopend gaan in een stoet van twee. ‘Heb je de hoofdkraan dichtgedraaid Meis?’ vroeg Leon. Zonder een woord trok Meis de deur achter zich dicht. Niet dat hij een antwoord verwachtte.
Een hete luchtoven. Zo overviel de overgang van het koele huis naar de stovende straat hen. Zelfs de wind schroeide door hun dunne kleding heen. Maar Leon gaf geen kik. Hij hield de korf stevig vast en stapte in gelijkmatige tred voor de laatste maal naar de dierenarts. Meis volgde gepast.
Leon lag in bed. Soep onder de grond. Meis wilde vluchten en pakte een boek. Een paar weken eerder had ze het gekocht zonder ook maar te hebben ingezien. Vanwege het omslag. Daarop stond een portret van de auteur. Meis keek naar de foto. Hij deed haar aan Soep denken. En aan die vagebond waarmee ze kortstondig verbonden was geweest. Kattenogen die in het donker meer zagen dan anderen ooit bij daglicht zouden zien. Schaduwvlekken in de oogkassen vlakten zijn scherpte wat af. Geen blik van een gezapige huiskater maar die van een zwerfkat. Argwanend en op afstand ondanks zijn chique houding en smetteloze blouse. Hij kon zo uithalen, dat zag ze aan zijn iets verbeten mond.
Ze spreidde haar vingers over het gezicht uit. Zijn linkeroog spiedde langs haar ring heen recht naar binnen. De wenkbrauw hoekte haar kootje. Met zijn oogopslag ietwat melancholisch in het blauw van de achtergrond. Het leek haar geen valse kater. Hij was vast te vaak weggeschopt. Daarom had ze het boek gekocht. Ze wilde zijn verhaal kennen.
Meis rolde zich op in bed en begon met lezen. In de verte donderde het dof. Voor het open raam hing een regengordijn. Tegen de ochtend had ze het uit. Ze hoorde Leon in de keuken rommelen. Er viel iets op de grond. Meis herkende de blikken trommel van de brokjes. Het maakte een enorm kabaal op de plavuizen. Hij was het in zijn ochtendritme vergeten, zoals altijd had hij het bakje willen bijvullen. Gauw snelde Meis naar beneden en zag nog net hoe Leon met de mouw van zijn pyjama zich over de ogen wreef.
‘Zullen we haar voerbak op het grafje leggen?’ stelde ze voor. Leon knikte en rende al naar buiten. Ze wist dat ze hem niet achterna moest gaan. Dat deed je niet bij een jongen van al bijna negen.
-wordt vervolgd-
deel 1

Onder de gouden regen lonkte de vagebond naar een hemels vuur. Onverschillig voor het onweer school hij onder de volle kruin, een enkele hand geklauwd om de stam, de striemende slagregen sloeg de gele bloemtrossen met geweld naar de grond. Zijn suede jas droop van het water. Hij schudde zich een paar keer uit en ging bij haar naar binnen. Via de achtertuin sloop hij weg om nooit wederom te keren. Op die avond sloeg het noodweer toe.
Steunend op de ellebogen, zijn lippen blauw van viltstift, schreef Leon al mee mompelend onder zijn tekening; Soep is ziek en nou gaat ze dood. Ze hadden haar zojuist gekamd. Hij had mee mogen helpen en gezegd: Net als bij mensen die dood zijn he Meis? Die worden dan mooi gemaakt! Soep was nog niet dood, maar over een paar uur zou ze het zijn. ‘Straks kan ik nooit meer een kat aaien!’
‘We zullen zien Leon, we zullen zien!’ Meis schudde de fles lysol leeg op een oud overhemd en ontsmette gedreven de kattenbak. Haar bruingele hand ging naar links en bleef boven de kattenkop hangen. Het astmatische asieldier had het lang uitgehouden. Met een afgeronde nagel veegde ze het opgedroogde snot van het neusje weg. Soep keek niet op of om. Haar kopje schommelde bij iedere aanraking. Soep was op.
Met de rug van haar hand gleed Meis over de met cacao gemarmerde zwarte haren. Eens glanzend satijn in het zonlicht op de brede vensterbank. Altijd tegen de wit uitgeslagen terracottapot aangeschurkt. De staart zwiepend als een omgekeerde metronoom voor de verwarmingsbuizen. Vandaag de dag oogde de rechtopstaande vacht dof en vertoonde kale plekken. Soep rook ook anders; zoetig, naar rotte bananen en betadine. Als Meis zachtjes een kneepje in haar nek gaf, hield ze een uitgedroogde binnenband tussen duim en wijsvinger geklemd. De rek was eruit.
‘Mijn vader was een leeuw he?’ Meis knikte. ‘Als Soep dood is, heb ik niemand meer.’
‘Je hebt mij toch,’ zei ze, maar wist dat zij niet telde, ze was niet aaibaar genoeg.
Zijn vader kon ze zich nauwelijks herinneren. Die was even donker geweest als de nacht waarin hij aan haar verscheen. Alleen zijn grauw, op het moment van verwekken, echode soms na. Ze had zich alleen gevoeld en hem binnengelaten, wetende dat hij niet zou blijven. Maar hij had haar iets gegeven tegen de eenzaamheid: Leon.
‘Waarom is hij weggegaan?’
‘Een gekooid leven paste hem niet. Kom, we moeten Soep in haar korf doen. Het is tijd!’ Meis sprong op en liep naar de gang om de rieten mand te pakken. Voor een moment keek ze van opzij in de wandspiegel. Het was dat haar naam refereerde aan haar geslacht anders was dat gissen geblazen. Na de geboorte van Leon was het alleen maar erger geworden. Bleek was ze, met daarboven het geblondeerde haar, kort gewiekt als een aftandse pleeborstel. Goddomme, nou ging ze haast nog janken ook. Janken om een kat.
-wordt vervolgd-

De jongste novelle van Alfred Birney Rivier de Lossie draagt bij aan de onthaasting. In een rustig tempo reis je met het hoofdpersonage door Schotland langs zinnen als: In de verte hing een marmeren, zwart omrande wolk zwaar boven een heldergele strook zonlicht, waaronder naaldbomen een zoom van stiksels over heuveltoppen trokken. (blz. 16)
Eerder werk van de schrijver raakt aan dezelfde thematiek, maar voor mij leest deze novelle als een verfijning daarvan, lijkt het meer van onder de huid geschreven. Minder rechtstreeks.
Waar gaat de novelle over? Behelst het louter de zoektocht van een Nederlandse folkgitarist naar zijn Schots-Aziatische roots? Gedragen door een ballade van Donovan? Bezwangerd door een vluchtig samenzijn met een vreemde vrouw? Ik denk van niet. Met de samenvatting alleen pak je niet de essentie van deze novelle. De essentie is de leeservaring; je laten meestromen met het verhaal. En dan moet je er nogmaals induiken, want niet alles komt direct aan de oppervlakte.

Tekstfilmpje: Noen (Noen aanklikken)
Al zitten er dagen tussen
van jaren soms onweer
of een geknakte zielsknop
Als ik jou zie dan
leef ik geen tijd
Achter het duindoorn
bramenijs met zand
water wist de sporen
Jouw warme hand
op mijn zere plek
brandt hevig na
De zon staat
op haar hoogst.
Ik bezocht de hyvespagina van een van mijn nichtjes en hoorde daar haar dertienjarige dochter Jennifer zingen op You Tube. Nu kom ik Jennifer wel eens tegen op de verjaardag van oma. Dan zit ze vrij timide met haar Chihuahua op schoot op zo’n rechte stoel in t benauwde bejaardenflatje. Maar nu ik Jennifer hoor zingen, komt ze behoorlijk uit die stijve zetel vandaan. I’m as proud as a peacock. Have a good listen to this!

Recente reacties